Deze video legt uit waarom sommige mensen makkelijk slank blijven en anderen sneller aankomen, door genen, metabolisme en gedrag.
Este vídeo explica por qué algunas personas se mantienen delgadas fácilmente y otras engordan más rápido, debido a los genes, el metabolismo y el comportamiento.

Ejercicio 1: Inmersión lingüística

Instrucción: Mira el vídeo y responde a las preguntas relacionadas.

Palabra Traducción
Dik worden Engordar
Aankomen Subir de peso
Dunne mensen Personas delgadas
Dikke mensen Personas con sobrepeso
Overgewicht Sobrepeso
Slank Esbeltos
Lichaam Cuerpo
Waarom kunnen sommige mensen zoveel eten zonder dik te worden? (¿Por qué algunas personas pueden comer tanto sin engordar?)
In tweeduizend negentien deed de Universiteit van Cambridge onderzoek naar het DNA van dunne en dikke mensen. (En 2019, la Universidad de Cambridge investigó el ADN de personas delgadas y de personas con sobrepeso.)
Ze ontdekten dat bepaalde genen minder aanwezig zijn bij slanke mensen. (Descubrieron que ciertos genes están menos presentes en las personas delgadas.)
Dit betekent niet dat slanke mensen per se minder taart eten; het heeft te maken met hun lichaam. (Esto no significa que las personas delgadas necesariamente coman menos pastel; tiene que ver con su organismo.)
Gezond eten en genoeg bewegen blijven ook belangrijk. (Seguir una alimentación saludable y moverse lo suficiente sigue siendo importante.)
Volgens onderzoekers wordt ons gewicht mede bepaald door de genen die we van onze ouders krijgen. (Según los investigadores, nuestro peso está determinado en parte por los genes que heredamos de nuestros padres.)
Hoe werkt dat dan? (¿Cómo funciona eso?)
Dat heeft vooral te maken met je rustmetabolisme. (Tiene sobre todo que ver con tu metabolismo en reposo.)
Dat is het aantal calorieën dat je verbrandt als je niets of weinig doet. (Eso es la cantidad de calorías que quemas cuando no haces nada o haces poca actividad.)
Sommige mensen gebruiken meer energie dan anderen, ook als ze niets doen. Als je een hoog metabolisme hebt, verbrand je meer calorieën en blijf je slanker. (Algunas personas gastan más energía que otras, incluso en reposo. Si tienes un metabolismo alto, quemas más calorías y te mantienes más delgado.)

1. Waar deed de universiteit onderzoek naar?

(¿Dónde realizó la universidad la investigación?)

2. Wat betekent het als je een hoog metabolisme hebt?

(¿Qué significa tener un metabolismo alto?)

3. Waardoor wordt ons gewicht volgens de tekst mede bepaald?

(Según el texto, ¿por qué está determinado en parte nuestro peso?)

4. Wat is rustmetabolisme?

(¿Qué es el metabolismo en reposo?)

Ejercicio 2: Diálogo

Instrucción: Lee el diálogo y responde a las preguntas.

De man twijfelt over zijn uiterlijk en vraagt de vrouw om bevestiging.

El hombre duda sobre su apariencia y le pide a la mujer que lo confirme.
1. Man: Wat denk je, schat? Hoe ziet mijn haar eruit? Is het niet te kort? (¿Qué piensas, cariño? ¿Cómo se ve mi pelo? ¿No está demasiado corto?)
2. Vrouw: Nee, je ziet er goed uit! Je hebt mooi lang zwart haar. (¡No, te ves bien! Tienes el pelo largo, negro y muy bonito.)
3. Man: Ik twijfel. Ben ik niet te dik in deze broek? (Dudo. ¿No estoy demasiado gordo con estos pantalones?)
4. Vrouw: Het ziet er goed uit. Je bent niet te dik en ook niet te dun. (Se ve bien. No estás ni demasiado gordo ni demasiado delgado.)
5. Man: Ik vind mijn T-shirt zo lelijk en zo klein. Denk je dat het goed past? (Creo que mi camiseta es fea y muy pequeña. ¿Crees que me queda bien?)
6. Vrouw: Nee! Je T-shirt is mooi en past bij je jeans. (¡No! Tu camiseta es bonita y va bien con tus vaqueros.)
7. Man: Oké, maar mijn jeans is te groot, of te wijd. Wat denk jij? (Vale, pero mis vaqueros son demasiado grandes, o demasiado anchos. ¿Qué opinas?)
8. Vrouw: Die jeans is toch goed? Het lijkt wel alsof we de paus gaan bezoeken! (¿Esos vaqueros no están bien? ¡Parece como si fuéramos a visitar al Papa!)
9. Man: Je hebt gelijk, maar hmm. (Tienes razón, pero hmm.)
10. Vrouw: Wat heb je toch vandaag? (¿Qué te pasa hoy?)
11. Man: Ik wil er goed uitzien voor het feestje, snap je? (Quiero verme bien para la fiesta, ¿entiendes?)
12. Vrouw: Je lijkt wel een onzekere tiener! We moeten nu echt gaan. (¡Pareces un adolescente inseguro! Tenemos que irnos ya.)

1. Waar maakt de man zich zorgen over?

(¿Por qué se preocupa el hombre?)

2. Wat zegt de vrouw over zijn T-shirt?

(¿Qué dice la mujer sobre su camiseta?)