De tegenwoordige tijd met regelmatige werkwoorden wordt gebruikt om te spreken over handelingen die nu plaatsvinden.
(El tiempo presente con verbos regulares se utiliza para hablar de acciones que tienen lugar ahora.)
- Encuentras la raíz quitando -en del verbo.
| Werken (trabajar) | Maken (hacer) | Antwoorden (responder) | Blijven (quedarse) | Reizen (viajar) |
|---|---|---|---|---|
| Ik werk | Ik maak | Ik antwoord | Ik blijf | Ik reis |
| Jij werkt | Jij maakt | Jij antwoordt | Jij blijft | Jij reist |
| Hij/Zij werkt | Hij/Zij maakt | Hij/Zij antwoordt | Hij/Zij blijft | Hij/Zij reist |
| Wij werken | Wij maken | Wij antwoorden | Wij blijven | Wij reizen |
| Jullie werken | Jullie maken | Jullie antwoorden | Jullie blijven | Jullie reizen |
| Zij werken | Zij maken | Zij antwoorden | Zij blijven | Zij reizen |
¡Excepciones!
- "Maken:" Si el verbo tiene una sola vocal y una sola consonante antes de -en, la vocal se duplica en la primera, segunda y tercera persona del singular.
"Blijven:"Si el verbo tiene una -v antes de -en, en la raíz la -v cambia a -f.
"Reizen:"Si el verbo tiene una -z antes de -en, en la raíz la -z cambia a -s.
Ejercicio 1: Opción múltiple
Instrucción: Elige la respuesta correcta
1. U vult het formulier in en u ______ uw telefoonnummer en e-mailadres.
Rellena el formulario y ______ tu número de teléfono y tu dirección de correo electrónico.)2. Jij ______ een overzicht met alle contacten en adressen.
Tú ______ un listado con todos los contactos y direcciones.)3. Hij ______ bij de balie en hij wacht op uw postcode en huisnummer.
Él ______ en el mostrador y espera su código postal y número de casa.)4. Wij ______ vaak naar Nederland en wij werken daar met veel internationale contacten.
Nosotros ______ con frecuencia a los Países Bajos y allí trabajamos con muchos contactos internacionales.)Ejercicio 2: Reescribe las frases
Instrucción: Reescribe las oraciones. Pon el verbo en negrita en presente con el sujeto indicado (yo, tú, él/ella, nosotros, vosotros, ellos).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk werk in een groot kantoor in Amsterdam.(Ik werk in un gran oficina en Ámsterdam.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleHij maakt elke ochtend een planning voor de dag.(Hij maakt elke ochtend een planificación para el día.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJullie antwoorden snel op de e-mails van de klanten.(Jullie antwoorden snel op de e-mails van de klanten.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij blijven vandaag thuis en werken online.(Wij blijven vandaag thuis en werken online.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk reis vaak met de trein naar het werk.(Ik reis vaak met de trein naar el trabajo.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleZij maken een afspraak bij de gemeente.(Zij maken een afspraak bij la municipalidad.)
Ejercicio 3: Gramática en acción
Instrucción: Haz un breve diálogo: pide la dirección y los datos de contacto del otro y anótalos.
- Waar woont u en wat is uw huisnummer en postcode? (¿Dónde vive usted y cuál es su número de casa y su código postal?)
- Wat is uw telefoonnummer met voorvoegsel en uw e-mailadres? (¿Cuál es su número de teléfono con prefijo y cuál es su dirección de correo electrónico?)
- Ik werk bij de gemeente en ik noteer uw contactgegevens. (Trabajo en el ayuntamiento y anoto sus datos de contacto.)
- Kunt u uw huisnummer en postcode geven? (¿Puede darme su número de casa y su código postal?)
- Ik maak een nieuw contact in mijn telefoon en ik typ uw e-mailadres in. (Creo un nuevo contacto en mi teléfono y escribo su dirección de correo electrónico.)
- ik werk / jij werkt / hij werkt (ik werk / jij werkt / hij werkt)
- ik maak / jij maakt / hij maakt (ik maak / jij maakt / hij maakt)
- ik antwoord / jij antwoordt / hij antwoordt (ik antwoord / jij antwoordt / hij antwoordt)