Reserva un profesor particular
Practicar hablar

1. Inmersión lingüística

2. Vocabulario (14)

Het cadeau

Het cadeau Mostrar

El regalo Mostrar

Het feest

Het feest Mostrar

La fiesta Mostrar

De taart

De taart Mostrar

El pastel Mostrar

De verjaardag

De verjaardag Mostrar

El cumpleaños Mostrar

De leeftijd

De leeftijd Mostrar

La edad Mostrar

Het jaar

Het jaar Mostrar

El año Mostrar

Gelukkige verjaardag!

Gelukkige verjaardag! Mostrar

¡Feliz cumpleaños! Mostrar

Hoe oud ben je?

Hoe oud ben je? Mostrar

¿Cuántos años tienes? Mostrar

Vieren

Vieren Mostrar

Celebrar Mostrar

Jarig zijn

Jarig zijn Mostrar

Cumplir años Mostrar

Voorbereiden

Voorbereiden Mostrar

Preparar Mostrar

Worden

Worden Mostrar

Cumplir / Llegar a ser Mostrar

4. Ejercicios

Ejercicio 1: Reordenar oraciones

Instrucción: Haz frases correctas.

Mostrar respuestas
1.
je? | ben | oud | Hoe
Hoe oud ben je?
(¿Cuántos años tienes?)
2.
dertig | oud. | ben | jaar | Ik
Ik ben dertig jaar oud.
(Tengo treinta años.)
3.
jarig? | je | Wanneer | ben
Wanneer ben je jarig?
(¿Cuándo es tu cumpleaños?)
4.
dan vier ik | een klein feest. | mijn verjaardag met | Ik ben in | mei jarig en
Ik ben in mei jarig en dan vier ik mijn verjaardag met een klein feest.
(Mi cumpleaños es en mayo y entonces lo celebro con una pequeña fiesta.)
5.
cadeau en een | feest voor en | taart. | ik koop een | Ik bereid het
Ik bereid het feest voor en ik koop een cadeau en een taart.
(Preparo la fiesta y compro un regalo y una tarta.)
6.
word je | vandaag? | Gelukkige verjaardag! | Hoeveel jaar
Gelukkige verjaardag! Hoeveel jaar word je vandaag?
(¡Feliz cumpleaños! ¿Cuántos años cumples hoy?)

Ejercicio 2: Opción múltiple

Instrucción: Elige la solución correcta

1. Hoe oud ___ jij dit jaar?

(¿Cuántos años ___ tú este año?)

2. Mijn dochter ___ morgen twintig jaar.

(Mi hija ___ mañana veinte años.)

3. Wanneer ___ jij weer een jaar ouder?

(¿Cuándo ___ tú un año más?)

4. In Nederland ___ je verjaardag vaak met taart gevierd.

(En los Países Bajos ___ tu cumpleaños a menudo con tarta.)

Ejercicio 3: Tarjetas de diálogo

Instrucción: Selecciona una situación y practica la conversación con tu profesor o compañeros.

Ejercicio 4: Responde a la situación

Instrucción: Practica en parejas o con tu profesor.

1. Je bent op een netwerkborrel. Je praat met een nieuwe collega. Vraag naar zijn of haar leeftijd. (Gebruik: Hoe oud, jij, En jij?)

(Estás en un cóctel de networking. Hablas con un nuevo/a colega. Pregunta su edad. (Usa: Hoe oud, jij, En jij?))

Hoe oud ben    

(Hoe oud ben ...)

Ejemplo:

Hoe oud ben jij?

(Hoe oud ben jij?)

2. Je zit met collega’s in de lunchpauze. Iemand vraagt: ‘Wanneer ben je jarig?’ Antwoord. (Gebruik: Ik ben jarig, in, op)

(Estás con colegas en la pausa para el almuerzo. Alguien pregunta: 'Wanneer ben je jarig?' Responde. (Usa: Ik ben jarig, in, op))

Ik ben jarig    

(Ik ben jarig ...)

Ejemplo:

Ik ben jarig in juni.

(Ik ben jarig in juni.)

3. Je stuurt een appje naar een Nederlandse vriend(in) voor zijn/haar verjaardag. Schrijf een korte felicitatie. (Gebruik: Gelukkige verjaardag!, Gefeliciteerd, fijne dag)

(Envías un mensaje a un amigo/a neerlandés/a por su cumpleaños. Escribe una felicitación corta. (Usa: Gelukkige verjaardag!, Gefeliciteerd, fijne dag))

Gelukkige verjaardag!    

(Gelukkige verjaardag! ...)

Ejemplo:

Gelukkige verjaardag! Ik wens je een fijne dag.

(Gelukkige verjaardag! Ik wens je een fijne dag.)

4. Je plant een klein verjaardagsfeest thuis en nodigt een collega uit. Zeg hoe oud je wordt. (Gebruik: Ik word, jaar, mijn verjaardag vieren)

(Organizas una pequeña fiesta de cumpleaños en casa e invitas a un/a colega. Di cuántos años cumples. (Usa: Ik word, jaar, mijn verjaardag vieren))

Ik word    

(Ik word ...)

Ejemplo:

Ik word dertig jaar en ik wil mijn verjaardag thuis vieren.

(Ik word dertig jaar en ik wil mijn verjaardag thuis vieren.)

Ejercicio 5: Ejercicio de escritura

Instrucción: Escribe 4 o 5 frases sobre tu próximo cumpleaños: cuándo es, cuántos años vas a cumplir y cómo quieres celebrarlo.

Expresiones útiles:

Ik ben jarig op ... / Ik word ... jaar. / Ik vier mijn verjaardag met ... / Mijn verjaardag is belangrijk voor mij, omdat ...

Oefening 6: Ejercicio de conversación

Instructie:

  1. Noem de naam en leeftijd van elke persoon op de afbeelding. (Di el nombre y la edad de cada persona en la imagen.)
  2. Zeg je eigen leeftijd. (Di tu edad.)
  3. Vraag de anderen naar hun leeftijd. (Pregunta a los demás por su edad.)

Pautas docentes +/- 10 minutos

Frases de ejemplo:

De naam van de vrouw is Hannah en ze is tweeëndertig jaar oud.

La mujer se llama Hannah y tiene treinta y dos años.

Het meisje is zeventien jaar oud.

La chica tiene diecisiete años.

Het kind is zes jaar oud.

El niño tiene seis años.

De grootmoeder is negenentachtig jaar oud.

La abuela tiene ochenta y nueve años.

Ik ben dertig jaar oud.

Tengo treinta años.

Hoe oud ben jij?

¿Cuántos años tienes?

...