A1.6 - Decir tu edad
Je leeftijd zeggen
1. Inmersión lingüística
A1.6.1 Actividad
La fiesta de cumpleaños
3. Gramática
verbo clave
Worden (llegar a ser)
4. Ejercicios
Ejercicio 1: Reordenar oraciones
Instrucción: Haz frases correctas.
Ejercicio 2: Opción múltiple
Instrucción: Elige la solución correcta
1. Hoe oud ___ jij dit jaar?
(¿Cuántos años ___ tú este año?)2. Mijn dochter ___ morgen twintig jaar.
(Mi hija ___ mañana veinte años.)3. Wanneer ___ jij weer een jaar ouder?
(¿Cuándo ___ tú un año más?)4. In Nederland ___ je verjaardag vaak met taart gevierd.
(En los Países Bajos ___ tu cumpleaños a menudo con tarta.)Ejercicio 3: Tarjetas de diálogo
Instrucción: Selecciona una situación y practica la conversación con tu profesor o compañeros.
Nieuwe collega op verjaardagsborrel
Nieuwe collega Mark: Mostrar Hoi, ik ben Mark, ik ben 32 jaar oud.
(Hola, soy Mark, tengo 32 años.)
Jij: Mostrar Hoi Mark, ik ben Anna, ik ben 29 jaar.
(Hola Mark, soy Anna, tengo 29 años.)
Nieuwe collega Mark: Mostrar Leuk, wanneer ben jij jarig?
(Qué bien, ¿cuándo es tu cumpleaños?)
Jij: Mostrar Ik ben in juli jarig, en jij?
(Mi cumpleaños es en julio, ¿y el tuyo?)
Preguntas abiertas:
1. Hoe oud ben jij?
¿Cuántos años tienes?
2. Wanneer ben jij jarig?
¿Cuándo es tu cumpleaños?
Cadeau kopen voor een verjaardag
Vriend Tom: Mostrar Morgen is Lisa jarig, hoe oud wordt ze?
(Mañana es el cumpleaños de Lisa, ¿cuántos años cumple?)
Jij: Mostrar Ze wordt 40 jaar, het is een groot feest.
(Cumple 40 años, será una gran fiesta.)
Vriend Tom: Mostrar Oké, dan nemen we een mooie taart als cadeau.
(Vale, entonces cogemos una tarta bonita como regalo.)
Jij: Mostrar Goed idee, dan zeggen we morgen: gelukkige verjaardag, Lisa!
(Buena idea, entonces mañana diremos: ¡feliz cumpleaños, Lisa!)
Preguntas abiertas:
1. Voor wie koop jij een cadeau?
¿Para quién compras un regalo?
2. Wat doe jij op jouw verjaardag?
¿Qué sueles hacer en tu cumpleaños?
Ejercicio 4: Responde a la situación
Instrucción: Practica en parejas o con tu profesor.
1. Je bent op een netwerkborrel. Je praat met een nieuwe collega. Vraag naar zijn of haar leeftijd. (Gebruik: Hoe oud, jij, En jij?)
(Estás en un cóctel de networking. Hablas con un nuevo/a colega. Pregunta su edad. (Usa: Hoe oud, jij, En jij?))Hoe oud ben
(Hoe oud ben ...)Ejemplo:
Hoe oud ben jij?
(Hoe oud ben jij?)2. Je zit met collega’s in de lunchpauze. Iemand vraagt: ‘Wanneer ben je jarig?’ Antwoord. (Gebruik: Ik ben jarig, in, op)
(Estás con colegas en la pausa para el almuerzo. Alguien pregunta: 'Wanneer ben je jarig?' Responde. (Usa: Ik ben jarig, in, op))Ik ben jarig
(Ik ben jarig ...)Ejemplo:
Ik ben jarig in juni.
(Ik ben jarig in juni.)3. Je stuurt een appje naar een Nederlandse vriend(in) voor zijn/haar verjaardag. Schrijf een korte felicitatie. (Gebruik: Gelukkige verjaardag!, Gefeliciteerd, fijne dag)
(Envías un mensaje a un amigo/a neerlandés/a por su cumpleaños. Escribe una felicitación corta. (Usa: Gelukkige verjaardag!, Gefeliciteerd, fijne dag))Gelukkige verjaardag!
(Gelukkige verjaardag! ...)Ejemplo:
Gelukkige verjaardag! Ik wens je een fijne dag.
(Gelukkige verjaardag! Ik wens je een fijne dag.)4. Je plant een klein verjaardagsfeest thuis en nodigt een collega uit. Zeg hoe oud je wordt. (Gebruik: Ik word, jaar, mijn verjaardag vieren)
(Organizas una pequeña fiesta de cumpleaños en casa e invitas a un/a colega. Di cuántos años cumples. (Usa: Ik word, jaar, mijn verjaardag vieren))Ik word
(Ik word ...)Ejemplo:
Ik word dertig jaar en ik wil mijn verjaardag thuis vieren.
(Ik word dertig jaar en ik wil mijn verjaardag thuis vieren.)Ejercicio 5: Ejercicio de escritura
Instrucción: Escribe 4 o 5 frases sobre tu próximo cumpleaños: cuándo es, cuántos años vas a cumplir y cómo quieres celebrarlo.
Expresiones útiles:
Ik ben jarig op ... / Ik word ... jaar. / Ik vier mijn verjaardag met ... / Mijn verjaardag is belangrijk voor mij, omdat ...
Oefening 6: Ejercicio de conversación
Instructie:
- Noem de naam en leeftijd van elke persoon op de afbeelding. (Di el nombre y la edad de cada persona en la imagen.)
- Zeg je eigen leeftijd. (Di tu edad.)
- Vraag de anderen naar hun leeftijd. (Pregunta a los demás por su edad.)
Pautas docentes +/- 10 minutos
Instrucciones didácticas
- Lee las frases de ejemplo en voz alta.
- Responde a las preguntas sobre la imagen.
- Los estudiantes también pueden preparar este ejercicio como un texto escrito para la próxima clase.
Frases de ejemplo:
|
De naam van de vrouw is Hannah en ze is tweeëndertig jaar oud. La mujer se llama Hannah y tiene treinta y dos años. |
|
Het meisje is zeventien jaar oud. La chica tiene diecisiete años. |
|
Het kind is zes jaar oud. El niño tiene seis años. |
|
De grootmoeder is negenentachtig jaar oud. La abuela tiene ochenta y nueve años. |
|
Ik ben dertig jaar oud. Tengo treinta años. |
|
Hoe oud ben jij? ¿Cuántos años tienes? |
| ... |