1. Inmersión lingüística

2. Vocabulario (10)

De kunstenaar

De kunstenaar Mostrar

El artista Mostrar

De zanger

De zanger Mostrar

El cantante Mostrar

De zangeres

De zangeres Mostrar

La cantante Mostrar

Het museum

Het museum Mostrar

El museo Mostrar

De tentoonstelling

De tentoonstelling Mostrar

La exposición Mostrar

Het kunstwerk

Het kunstwerk Mostrar

La obra de arte Mostrar

De kunst

De kunst Mostrar

El arte Mostrar

De dans

De dans Mostrar

El baile Mostrar

Dansen

Dansen Mostrar

Bailar Mostrar

Zingen

Zingen Mostrar

Cantar Mostrar

4. Ejercicios

Ejercicio 1: Preparación del examen

Instrucción: Lee el texto, rellena los huecos con las palabras que faltan y responde a las preguntas que aparecen a continuación


Nieuwsbrief: Avond in het Stedelijk Museum

Words to use: zangeres, ligt, dansvoorstelling, Museum, reserveren, kosten, tentoonstelling, zingt, kunst

(Boletín: Noche en el Museo Stedelijk)

Volgende maand organiseert het Stedelijk Amsterdam een speciale avond over muziek en . Bezoekers zien moderne schilderijen en foto's en luisteren naar een korte lezing over kunst in de stad. In de grote zaal speelt een kleine band en een . Zij rustige liedjes. Er is ook een korte .

De avond begint om zeven uur. Bezoekers kunnen eerst de bekijken en daarna iets drinken in het café. De kaartjes vijftien euro. U kunt online via de website van het museum. Het museum dicht bij het Museumplein en is makkelijk met de tram te bereiken.
El próximo mes el Museo Stedelijk de Ámsterdam organiza una noche especial sobre música y arte. Los visitantes verán cuadros y fotografías modernas y escucharán una breve charla sobre el arte en la ciudad. En la sala grande toca una pequeña banda y una cantante. Ella canta canciones tranquilas. También hay una breve actuación de danza.

La noche empieza a las siete. Los visitantes pueden primero ver la exposición y después tomar algo en el café. Las entradas cuestan quince euros. Puede reservar en línea a través de la página web del museo. El museo está cerca de Museumplein y es fácil llegar en tranvía.

  1. Waar gaat de speciale avond in het Stedelijk Museum over?

    (¿Sobre qué trata la noche especial en el Museo Stedelijk?)

  2. Wat kunnen bezoekers doen voordat ze iets drinken in het café?

    (¿Qué pueden hacer los visitantes antes de tomar algo en el café?)

  3. Hoe komt u makkelijk bij het museum volgens de tekst?

    (Según el texto, ¿cómo se llega fácilmente al museo?)

  4. Zou u zelf naar zo’n avond willen gaan? Waarom wel of niet?

    (¿Le gustaría ir usted a una noche así? ¿Por qué sí o por qué no?)

Ejercicio 2: Emparejar una palabra

Instrucción: Relaciona cada comienzo con su final correcto.

Vanavond ga ik naar een tentoonstelling in het museum. (Esta noche voy a una exposición en el museo.)
De kunstenaar vertelt over zijn nieuwste kunstwerk. (El artista habla sobre su obra más reciente.)
Wij dansen samen op de muziek in het theater. (Bailamos juntos al son de la música en el teatro.)
De zanger zingt mooie, rustige liedjes over de stad. (El cantante interpreta hermosas y tranquilas canciones sobre la ciudad.)

Ejercicio 3: Opción múltiple

Instrucción: Elige la solución correcta

1. In het weekend ___ ik met mijn vrienden op een concert in de stad.

(In het weekend ___ ik met mijn vrienden op een concert in de stad.)

2. De zanger ___ een mooi lied over poëzie in het museum.

(De zanger ___ een mooi lied over poëzie in het museum.)

3. Wij ___ 's avonds voor het grote kunstwerk in het museum.

(Wij ___ 's avonds voor het grote kunstwerk in het museum.)

4. In België ___ de kinderen vaak samen bij een muziekschool in de stad.

(In België ___ de kinderen vaak samen bij een muziekschool in de stad.)

Ejercicio 4: Tarjetas de diálogo

Instrucción: Selecciona una situación y practica la conversación con tu profesor o compañeros.

Ejercicio 5: Responde a la situación

Instrucción: Practica en parejas o con tu profesor.

1. Je collega vraagt: “Wat doe jij graag in het weekend in de stad?” Vertel dat je soms naar een museum gaat en wat je daar leuk vindt. (Gebruik: het museum, leuk, in het weekend)

(Tu compañero/a pregunta: “¿Qué te gusta hacer el fin de semana en la ciudad?” Di que a veces vas al museo y qué te gusta allí. (Usa: el museo, agradable, el fin de semana))

In het weekend ga ik  

(El fin de semana voy ...)

Ejemplo:

In het weekend ga ik soms naar het museum. Het museum heeft verschillende schilderijen en dat vind ik leuk.

(El fin de semana voy a veces al museo. El museo tiene varios cuadros y eso me parece agradable.)

2. Je vriend(in) stuurt een bericht: “Er is vanavond een grote tentoonstelling in het centrum. Ga je mee?” Antwoord en zeg wat je van zo’n tentoonstelling vindt. (Gebruik: de tentoonstelling, leuk / niet leuk, druk)

(Tu amigo/a manda un mensaje: “Esta noche hay una gran exposición en el centro. ¿Vienes?” Responde y di qué te parece una exposición así. (Usa: la exposición, agradable/no agradable, concurrida))

Ik vind de tentoonstelling  

(La exposición me parece ...)

Ejemplo:

Ik vind de tentoonstelling leuk, maar het kan heel druk zijn. Ik ga graag mee als het niet te druk is.

(La exposición me parece agradable, pero puede estar muy concurrida. Voy encantado si no está demasiado llena.)

3. Je plant een teamuitje met collega’s. Jij stelt voor om samen naar een dansvoorstelling te gaan. Leg kort uit waarom jij graag naar dans kijkt. (Gebruik: de dans, mooi, kijken)

(Estás organizando una salida de equipo con colegas. Propones ir juntos a una función de danza. Explica brevemente por qué te gusta ver danza. (Usa: la danza, bonita, mirar))

Ik vind de dans  

(La danza me parece ...)

Ejemplo:

Ik vind de dans mooi. Ik kijk graag naar dans met live muziek en ik praat erna met collega’s.

(La danza me parece bonita. Me gusta ver danza con música en vivo y luego comentar la función con los colegas.)

4. Je bent op een klein festival in de stad met een collega. Er staat een zanger op het podium. Je vertelt kort wat je van hem vindt. (Gebruik: de zanger, goed, muziek)

(Estás en un pequeño festival en la ciudad con un colega. Hay un cantante en el escenario. Cuenta brevemente qué opinas de él. (Usa: el cantante, bueno, música))

Voor mij is de zanger  

(Para mí el cantante es ...)

Ejemplo:

Voor mij is de zanger goed. De muziek is vrolijk en ik zing zachtjes mee.

(Para mí el cantante es bueno. La música es alegre y yo tarareo suavemente.)

Ejercicio 6: Ejercicio de escritura

Instrucción: Escriba 4 o 5 frases sobre una noche de museo o de música a la que le gustaría ir en los Países Bajos: qué es, con quién va y qué quiere ver o hacer allí.

Expresiones útiles:

Ik wil graag naar … gaan. / Het museum ligt in … / Ik ga met … naar het museum/concert. / Ik wil daar graag … zien/horen.

Oefening 7: Ejercicio de conversación

Instructie:

  1. Beschrijf de activiteiten op de afbeeldingen. (Describe las actividades en las imágenes.)
  2. Praat over je favoriete kunst en muziek. (Habla sobre tu arte y música favoritos.)

Pautas docentes +/- 10 minutos

Frases de ejemplo:

Er zijn twee jongens die televisie kijken.

Hay dos chicos viendo la televisión.

Je kunt een kunstenaar aan een kunstproject zien werken.

Puedes ver a un artista trabajando en un proyecto artístico.

Ik houd van de tentoonstelling van Picasso.

Me gusta la exposición de Picasso.

Hoe laat begint het concert?

¿A qué hora empieza el concierto?

Ik ga naar een tentoonstelling over moderne kunst.

Voy a una exposición de arte moderno.

Ik houd van rock, maar ik geniet ook van een jazzconcert.

Me gusta el rock, pero también disfruto de un concierto de jazz.

...