De voorwerpsvorm van de persoonlijke voornaamwoorden vervangen een zelfstandig naamwoord en worden vaak gebruikt na een voorzetsel, zoals in 'met haar', 'voor ons' of 'aan hem'.
(La forma de complemento de los pronombres personales sustituye a un sustantivo y se usa a menudo después de una preposición, como en
- Uso después de una preposición: p. ej. 'met haar', 'voor ons'.
- Sustituyen a un sustantivo: 'Ik zie Jan' → 'Ik zie hem'.
- Uso según la persona y el número: 'ik' → 'mij', 'zij' → 'haar'.
| Persoon (Persona) | Enkelvoud (Singular) | Meervoud (Plural) |
|---|---|---|
| 1. | mij/me | ons |
| 2. | jou/je | jullie/je |
| 3. | hem/haar | hen/hun/ze |
¡Excepciones!
- "hun" se usa como complemento indirecto: 'Ik geef hun een boek'.
Ejercicio 1: Opción múltiple
Instrucción: Elige la respuesta correcta
1. Deze broek is te klein voor ___, heeft u een grotere maat?
Estos pantalones son demasiado pequeños para ___, ¿tiene una talla más grande?)2. De jas zit goed, maar ik vind ___ te duur.
El abrigo me queda bien, pero ___ lo encuentro demasiado caro.)3. Deze laarzen zijn mooi. Zal ik ___ voor jullie bestellen?
Estas botas son bonitas. ¿Se las pido para ___?)4. Ik betaal de schoenen voor ___, het is een cadeau.
Pago los zapatos por ___, es un regalo.)Ejercicio 2: Reescribe las frases
Instrucción: Reescribe las oraciones. Sustituye el sustantivo o el nombre por el pronombre personal adecuado en función de objeto (mij/me, jou/je, hem, haar, ons, jullie, hen, hun, ze).
-
De docent helpt mijn collega.⇒ _______________________________________________ ExampleDe docent helpt hem.(De docent helpt hem.)
-
Ik zie mijn buren elke ochtend in de tuin.⇒ _______________________________________________ ExampleIk zie ze elke ochtend in de tuin.(Ik zie ze elke ochtend in de tuin.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij geven hen een cadeau.(Wij geven hen een cadeau.)
-
Kun jij samen met mijn zus naar de gemeente gaan?⇒ _______________________________________________ ExampleKun jij samen met haar naar de gemeente gaan?(Kun jij samen met haar naar de gemeente gaan?)
-
De manager stuurt een e-mail naar mij en mijn collega.⇒ _______________________________________________ ExampleDe manager stuurt een e-mail naar ons.(De manager stuurt een e-mail naar ons.)
-
Ik wil vanavond met jullie naar de Nederlandse les gaan.⇒ _______________________________________________ ExampleIk wil vanavond met jullie naar de Nederlandse les gaan.(Ik wil vanavond met jullie naar de Nederlandse les gaan.)
Ejercicio 3: Gramática en acción
Instrucción: Haz de vendedor y cliente; hablad sobre qué encaja y para quién es.
- Waarom is deze broek goed voor hem/haar bij een sollicitatie? (¿Por qué estos pantalones le vienen bien a él/ella para una entrevista?)
- Welke jas of schoenen zou jij aan hem/haar geven en waarom? (¿Qué chaqueta o qué zapatos le darías tú a él/ella y por qué?)
- Past deze broek hem/haar? (¿Le quedan bien estos pantalones?)
- Ik geef hun de jas. (Les doy la chaqueta.)
- Dit pak past bij jullie sollicitatie. (Este traje va bien para vuestra entrevista.)
- Ik help hem/haar met... (Le ayudo con...)
- Deze broek past bij mij/jou/ons. (Estos pantalones me/te/nos quedan bien.)