A1.21.2 - Pronomi personali: complemento oggetto (mij, jou, hem,...)
Persoonlijke voornaamwoorden: voorwerp (mij, jou, hem,...)
De voorwerpsvorm van de persoonlijke voornaamwoorden vervangen een zelfstandig naamwoord en worden vaak gebruikt na een voorzetsel, zoals in 'met haar', 'voor ons' of 'aan hem'.
(La forma oggetto dei pronomi personali sostituisce un nome e viene spesso usata dopo una preposizione, come in met haar, voor ons o aan hem.)
- Uso dopo una preposizione: es. met haar, voor ons.
- Sostituire un sostantivo: 'Ik zie Jan' → 'Ik zie hem'.
- Uso a seconda della persona e del numero: 'ik' → 'mij', 'zij' → 'haar'.
| Persoon | Enkelvoud | Meervoud |
|---|---|---|
| 1. | mij/me (me/mi) | ons (noi) |
| 2. | jou/je (te/ti) | jullie/je (voi) |
| 3. | hem/haar (lui/lei) | hen/hun/ze (loro) |
Eccezioni!
- 'hun' wordt gebruikt als meewerkend voorwerp: 'Ik geef hun een boek'.
Esercizio 1: Pronomi personali: complemento (mij, jou, hem, ...)
Istruzione: Inserisci la parola corretta.
jou, hem, mij, ze, hen, haar
Esercizio 2: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la risposta corretta
1. Deze broek is te klein voor ___, heeft u een grotere maat?
Questi pantaloni sono troppo piccoli per ___, avete una taglia più grande?)2. De jas zit goed, maar ik vind ___ te duur.
La giacca va bene, ma la trovo ___ troppo cara.)3. Deze laarzen zijn mooi. Zal ik ___ voor jullie bestellen?
Questi stivali sono belli. Ve ___ ordino?)4. Ik betaal de schoenen voor ___, het is een cadeau.
Pago le scarpe per ___, è un regalo.)Esercizio 3: Riscrivi le frasi
Istruzione: Riformula le frasi. Sostituisci il sostantivo o il nome con il corretto pronome personale oggetto (mij/me, jou/je, hem, haar, ons, jullie, hen, hun, ze).
-
De docent helpt mijn collega.⇒ _______________________________________________ ExampleDe docent helpt hem.(De docent helpt hem.)
-
Ik zie mijn buren elke ochtend in de tuin.⇒ _______________________________________________ ExampleIk zie ze elke ochtend in de tuin.(Ik zie ze elke ochtend in de tuin.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij geven hen een cadeau.(Wij geven hen een cadeau.)
-
Kun jij samen met mijn zus naar de gemeente gaan?⇒ _______________________________________________ ExampleKun jij samen met haar naar de gemeente gaan?(Kun jij samen met haar naar de gemeente gaan?)
-
De manager stuurt een e-mail naar mij en mijn collega.⇒ _______________________________________________ ExampleDe manager stuurt een e-mail naar ons.(De manager stuurt een e-mail naar ons.)
-
Ik wil vanavond met jullie naar de Nederlandse les gaan.⇒ _______________________________________________ ExampleIk wil vanavond met jullie naar de Nederlandse les gaan.(Ik wil vanavond met jullie naar de Nederlandse les gaan.)
Applica questa grammatica durante le conversazioni reali!
Questi esercizi di grammatica fanno parte dei nostri corsi di conversazione. Trova un insegnante e pratica questo argomento durante conversazioni reali!
- Implementa CEFR, esame DELE e linee guida Cervantes
- Supportato dall'università di Siegen
Scritto da
Questo contenuto è stato progettato e revisionato dal team pedagogico di coLanguage. Chi siamo