Wortschatz (22)
Tijd doorbrengen met (zeit verbringen)
Onvoltooid verleden tijd (OVT)
| (ik) bracht tijd door met |
| (jij/je) bracht tijd door met |
| (hij/zij/ze/het) bracht tijd door met |
| (wij/we) brachten tijd door met |
| (jullie) brachten tijd door met |
| (zij/ze) brachten tijd door met |
Zich abonneren op (sich abonnieren)
Onvoltooid verleden tijd (OVT)
| (ik) abonneeerde me op |
| (jij/je) abonneeerde je op |
| (hij/zij/ze/het) abonneeerde zich op |
| (wij/we) abonneerden ons op |
| (jullie) abonneerden jullie op |
| (zij/ze) abonneerden zich op |