Vocabulaire (13)

Dagelijks

Dagelijks Montrer

Quotidien(ne) Montrer

Werken

Werken Montrer

Travailler Montrer

Beginnen

Beginnen Montrer

Commencer Montrer

Douchen

Douchen Montrer

Prendre une douche Montrer

Opstaan

Opstaan Montrer

Se lever Montrer

Wakker worden

Wakker worden Montrer

Se réveiller Montrer

Slapen

Slapen Montrer

Dormir Montrer

Ontbijten

Ontbijten Montrer

Prendre le petit-déjeuner Montrer

Zich wassen

Zich wassen Montrer

Se laver Montrer

Zich aankleden

Zich aankleden Montrer

S'habiller Montrer

Zich scheren

Zich scheren Montrer

Se raser Montrer

Kammen

Kammen Montrer

Peigner (se) Montrer

Zich scheren (se raser)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) scheer me
(jij/je) scheert je
(hij/zij/ze/het) scheert zich
(wij/we) scheren ons
(jullie) scheren je
(zij/ze) scheren zich

Zich wassen (se laver)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) was me
(jij/je) wast je
(hij/zij/ze/het) wast zich
(wij/we) wassen ons
(jullie) wassen je
(zij/ze) wassen zich

Slapen (dormir)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) slaap
(jij/je) slaapt
(hij/zij/ze/het) slaapt
(wij/we) slapen
(jullie) slapen
(zij/ze) slapen