Vocabulaire (11)

Het antwoord

Het antwoord Montrer

La réponse Montrer

Vragen

Vragen Montrer

Des questions Montrer

Antwoorden

Antwoorden Montrer

Des réponses Montrer

Waarheen?

Waarheen? Montrer

Où (vers) ? Montrer

Wanneer?

Wanneer? Montrer

Quand ? Montrer

Hoe?

Hoe? Montrer

Comment ? Montrer

Hoeveel?

Hoeveel? Montrer

Combien ? Montrer

Waarom?

Waarom? Montrer

Pourquoi ? Montrer

Willen

Willen Montrer

Vouloir Montrer

Vragen (demander)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) vraag
(jij/je) vraagt
(hij/zij/ze/het) vraagt
(wij/we) vragen
(jullie) vragen
(zij/ze) vragen

Antwoorden (répondre)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) antwoord
(jij/je) antwoordt
(hij/zij/ze/het) antwoordt
(wij/we) antwoorden
(jullie) antwoorden
(zij/ze) antwoorden

Willen (vouloir)

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT)


(ik) wil
(jij/je) wilt
(hij/zij/ze/het) wil
(wij/we) willen
(jullie) willen
(zij/ze) willen