Esercizio 1: Riordina frasi

Istruzione: Forma frasi corrette.

Mostra le risposte
1.
Aangenaam. | ben | ik | Goedemorgen, | Anna.
Goedemorgen, ik ben Anna. Aangenaam.
(Buongiorno, sono Anna. Piacere.)
2.
Leuk je | ben Marco. | te ontmoeten! | Hallo, ik
Hallo, ik ben Marco. Leuk je te ontmoeten!
(Ciao, sono Marco. Piacere di conoscerti!)
3.
ben uw | een korte | Goedemiddag, ik | geef vandaag | les. | docent. Ik
Goedemiddag, ik ben uw docent. Ik geef vandaag een korte les.
(Buon pomeriggio, sono il/la vostro/a insegnante. Oggi tengo una lezione breve.)
4.
begrijp het | Sorry, ik | alstublieft herhalen? | u dat | niet. Kunt
Sorry, ik begrijp het niet. Kunt u dat alstublieft herhalen?
(Mi dispiace, non capisco. Può ripeterlo, per favore?)
5.
morgen! | laat. Ik | huis. Tot | ga naar | Het is
Het is laat. Ik ga naar huis. Tot morgen!
(È tardi. Vado a casa. A domani!)

Esercizio 2: Abbaia

Istruzione: Abbina ogni inizio con la sua corretta conclusione.

Goedemorgen, ik ben Lisa. Aangenaam. (Buongiorno, sono Lisa. Piacere.)
Leuk je te ontmoeten! Hoe heet jij? (Piacere di conoscerti! Come ti chiami?)
Ik moet nu naar een afspraak. Tot straks. (Devo andare a un appuntamento. A più tardi.)
Goedenavond, tot ziens en fijne avond. (Buonasera, arrivederci e buona serata.)

Esercizio 3: Scelta multipla

Istruzione: Scegli la soluzione corretta

1. Ik ben nieuw in de klas. Aangenaam, ik ___ Maria.

(Sono nuovo in classe. Piacere, io ___ Maria.)

2. Goedemorgen. ___ u de nieuwe docent Nederlands?

(Buongiorno. ___ lei il nuovo insegnante di olandese?)

3. Wij ___ klaar. Tot morgen!

(Noi ___ pronti. A domani!)

Esercizio 4: Carte di dialogo

Istruzione: Esercita la conversazione con il tuo insegnante o i compagni di classe.

Esercizio 5: Rispondere alla situazione

Istruzione: Esercitatevi in coppia o con il vostro insegnante.

1. Je komt 's ochtends op kantoor of in de les. Je ziet je collega of docent voor het eerst die dag. Groet hem/haar op een vriendelijke manier. (Gebruik: goedemorgen, hallo, hoe gaat het)

(Arrivi la mattina in ufficio o a lezione. Vedi il tuo collega o insegnante per la prima volta quel giorno. Salutalo/a in modo cortese. (Usa: goedemorgen, hallo, hoe gaat het))

Goedemorgen,    

(Goedemorgen, ...)

Esempio:

Goedemorgen, hoe gaat het?

(Goedemorgen, hoe gaat het?)

2. Je loopt aan het eind van de dag naar huis. Je collega of docent staat bij de deur. Neem op een beleefde manier afscheid. (Gebruik: tot morgen, fijne avond, doei)

(Alla fine della giornata stai per tornare a casa. Il tuo collega o insegnante è alla porta. congedati in modo educato. (Usa: tot morgen, fijne avond, doei))

Tot morgen,    

(Tot morgen, ...)

Esempio:

Tot morgen, fijne avond!

(Tot morgen, fijne avond!)