Bijvoeglijke naamwoorden beschrijven zelfstandige naamwoorden, zoals ‘grote hond’, ‘klein huis’, ‘mooi weer’.
(Gli aggettivi descrivono i sostantivi, come
- Gli aggettivi si trovano spesso prima del sostantivo.
- L’aggettivo prende di solito una -e.
- Dopo il verbo ‘zijn’: niente -e. ‘Het kind is lief’.
| Lidwoord (Articolo) | Regel (Regola) | Voorbeeld (Esempio) | |
|---|---|---|---|
| Enkelvoud (Singolare) | de het | +e +e | de grote hond het dikke boek |
| Meervoud (Plurale) | de | +e | de mooie huizen |
| Met 'een' (Con "een") | bij de-woord bij het-woord | +e - | een grote hond een dik boek |
Eccezioni!
- Con 'een' l’aggettivo con i 'het-woorden' non prende -e.
- Gli aggettivi con una vocale breve nell’ultima sillaba, come 'dik', 'wit', 'nat', raddoppiano la consonante quando si aggiunge '-e'.
- Gli aggettivi con una vocale lunga nell’ultima sillaba, come 'groot', 'schoon', 'duur', perdono una vocale quando si aggiunge '-e'.
Esercizio 1: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la risposta corretta
1. U zoekt meneer De Vries? Dat is die ______ man met de zwarte baard en de ronde bril.
Sta cercando il signor De Vries? È quell'uomo ______ con la barba nera e gli occhiali rotondi.)2. Mijn nieuwe collega is een jonge vrouw met ______ krullen en een mooi gezicht.
La mia nuova collega è una donna giovane con ricci ______ e un bel viso.)3. Tom is een ______ jongen, maar zijn broer is dik.
Tom è un ragazzo ______, ma suo fratello è grasso.)4. Ken je Mark? Hij is een ______ man, maar hij heeft een heel vriendelijk gezicht.
Conosci Mark? È un uomo ______, ma ha un volto molto amichevole.)Esercizio 2: Riscrivi le frasi
Istruzione: Riscrivi le frasi. Metti l'aggettivo nella forma corretta (con -e o senza -e).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDit is een groot kantoor.(Dit is een groot kantoor.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk heb een nieuwe telefoon.(Ik heb een nieuwe telefoon.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij zoeken een rustig huis in de stad.(Wij zoeken een rustig huis in de stad.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleMijn collega is een vriendelijke man.(Mijn collega is een vriendelijke man.)
-
Het weer is vandaag (mooi).⇒ _______________________________________________ ExampleHet weer is vandaag mooi.(Het weer is vandaag mooi.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDe kinderen hebben dikke jassen aan.(De kinderen hebben dikke jassen aan.)
Esercizio 3: La grammatica in azione
Istruzione: Descrivete a turno un collega; l’altro cerca di indovinare chi è.
- Hoe ziet jouw ideale collega eruit? Beschrijf haar of hem kort. (Com'è il tuo collega ideale? Descrivilo o descrivila brevemente.)
- Welke collega lijkt op jou? Beschrijf uiterlijk, lengte en haar korte keuzes. (Quale collega ti somiglia? Descrivi l'aspetto, l'altezza e le scelte relative ai capelli.)
- Hij heeft een zwarte baard en een kleine snor. (Ha la barba nera e un piccolo baffo.)
- Zij heeft lange steile krullen en een mooie bril. (Lei ha lunghi ricci lisci e degli occhiali belli.)
- Hij is klein en dun; zij is groot en dik. (Lui è basso e magro; lei è alta e robusta.)
- de/het + bijvoeglijk naamwoord + -e (de/het + aggettivo + -e)
- een + bijvoeglijk naamwoord bij de-woord/-e (een + aggettivo per il-woord/-e)
- een + bijvoeglijk naamwoord bij het-woord/- (een + aggettivo per het-woord/-)