Ordinare cibo al ristorante
Ordinare cibo al ristorante

Ordinare cibo al ristorante

Eten bestellen in het restaurant


In de video betaalt de klant voor het heerlijke maal en legt ze uit waarom ze geen fooi geeft.
Nel video la cliente paga per il delizioso pasto e spiega perché non lascia la mancia.

Esercizio 1: Immersione linguistica

Istruzione: Guarda il video e rispondi alle domande correlate.

Parola Traduzione
We willen graag betalen Vorremmo pagare
Is alles naar wens? È tutto di tuo gradimento?
Het was superlekker È stato superbuono
Pinnen Pagare con il bancomat
Een fooi geven Lasciare una mancia
De menukaart Il menù
Wij wilden graag betalen. (Vorremmo pagare.)
Is het allemaal naar wens geweest? (È stato tutto di vostro gradimento?)
Het eten was superlekker. (Il cibo era superbuono.)
Honderdtien euro, alstublieft. (Centodieci euro, per favore.)
Ja, ik pin even. (Sì, pago con il bancomat.)
Is dat ook wat je betaalt? (È anche quello che paghi?)
Ja. (Sì.)
Geen fooi; dat geef ik eigenlijk nooit. (Niente mancia; in realtà non la lascio mai.)
We betalen gewoon het bedrag dat op de kaart staat. (Paghiamo semplicemente l’importo che c’è scritto sul menù.)
Super bedankt voor alles. (Grazie mille per tutto.)

1. Hoe willen ze betalen?

(Come vogliono pagare?)

2. Wat zeggen ze over het eten?

(Cosa dicono del cibo?)

3. Hoeveel moeten ze betalen?

(Quanto devono pagare?)

4. Wat doen ze met fooi?

(Cosa fanno con la mancia?)

Esercizio 2: Dialogo

Istruzione: Leggi il dialogo e rispondi alle domande.

Een gesprek tussen een ober en een klant bij het bestellen uit de menukaart

Una conversazione tra un cameriere e una cliente al momento di ordinare dal menù
1. Ober: Goedemiddag, welkom in het restaurant! Heeft u een reservatie? (Buon pomeriggio, benvenuto al ristorante! Ha una prenotazione?)
2. Klant: Ja, ik heb een tafel gereserveerd voor één persoon. (Sì, ho prenotato un tavolo per una persona.)
3. Ober: Perfect, volgt u mij maar. Hier is de menukaart. Wilt u alvast iets drinken? (Perfetto, mi segua. Ecco il menù. Vuole già qualcosa da bere?)
4. Klant: Ja, ik neem een drankje: een glas witte wijn als aperitief, graag. (Sì, prendo una bevanda: un bicchiere di vino bianco come aperitivo, per favore.)
5. Ober: Prima. Weet u al wat u wilt eten? (Ottimo. Sa già che cosa desidera mangiare?)
6. Klant: Ja. Als voorgerecht neem ik de soep van de dag, en als hoofdgerecht de zalm met groenten. (Sì. Come antipasto prendo la zuppa del giorno e, come secondo, il salmone con verdure.)
7. Ober: Helemaal goed! U kunt straks bij de kassa betalen. (Perfetto! Potrà pagare più tardi alla cassa.)
8. Klant: Kan ik alvast betalen? Ik moet straks ergens naartoe. (Posso pagare subito? Devo andare da qualche parte più tardi.)
9. Ober: Ja, dat kan zeker. Hoe wilt u betalen? (Sì, certo. Come desidera pagare?)
10. Klant: Ik pin even, en doe er tien euro fooi bij. (Pago con il bancomat e aggiungo dieci euro di mancia.)
11. Ober: Heel erg bedankt. Geniet van uw maaltijd! (Grazie mille. Buon appetito!)

1. Wat bestelt de klant als drankje?

(Che cosa ordina la cliente da bere?)

2. Waarom wil de klant alvast betalen?

(Perché la cliente vuole pagare subito?)