Modalverben werden in den Vergangenheitsformen anders als üblich gebildet.
(Modale werkwoorden worden in de verleden tijden anders gevormd dan gebruikelijk.)
- Bij het Präteritum: geen umlautverandering bij modale werkwoorden.
| Verb (Werkwoord) | Erklärung (Uitleg) |
|---|---|
| müssen (moeten) musste (moest) | Ich musste am Wochenende arbeiten. (Ik moest in het weekend werken.) |
| können (kunnen)konnte (kon) | Du konntest gestern das Arbeitsverhältnis antreten. (Jij kon gisteren de dienstbetrekking beginnen.) |
| mögen (mogen) mochte (mocht) | Er mochte meinen Chef nicht. (Hij mocht mijn baas niet.) |
| dürfen (mogen (toestemming)) durfte (mocht) | Wir durften die Stelle in Teilzeit antreten. (Wij mochten de functie in deeltijd beginnen.) |
| wollen (willen) wollte (wilde) | Ihr wolltet unbedingt die Promotion machen. (Jullie wilden heel graag promoveren.) |
| sollen (zullen / moeten) sollte (zou / moest) | Sie sollten vorher ein Praktikum absolvieren. (U zou daarvoor eerst een stage moeten doen.) |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. In der Probezeit ___ ich am Wochenende in Vollzeit arbeiten.
Tijdens de proeftijd ___ ik in het weekend voltijds werken.2. Während des Bewerbungsgesprächs ___ ich alle Fragen zur Berufserfahrung beantworten.
Tijdens het sollicitatiegesprek ___ ik alle vragen over werkervaring beantwoorden.3. Der Hochschulabsolvent ___ die Stelle erst nach der Zustimmung der Personalabteilung antreten.
De afgestudeerde ___ de functie pas na toestemming van de personeelsafdeling aanvaarden.4. Für die Ausbildung ___ ich vorher ein Praktikum machen.
Voor de opleiding ___ ik vooraf een stage doen.Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen in de Präteritum: Zet het modale werkwoord in de verleden tijd (Präteritum) en laat het tweede werkwoordsgedeelte in de infinitief (bijv. „muss“ → „musste“).
-
Ich muss heute länger im Büro bleiben.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldIch musste heute länger im Büro bleiben.(Ik moest vandaag langer op kantoor blijven.)
-
Wir können den Vertrag erst nächste Woche unterschreiben.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldWir konnten den Vertrag erst nächste Woche unterschreiben.(We konden het contract pas volgende week ondertekenen.)
-
Er mag seinen neuen Chef nicht.⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldEr mochte seinen neuen Chef nicht.(Hij mocht zijn nieuwe baas niet.)
-
Darfst du gestern früher gehen?⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ VoorbeeldDurftest du gestern früher gehen?(Mocht je gisteren eerder weggaan?)
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de grammaticaal juiste zin in de Präteritum met een modaal werkwoord.