De voltooide tijd: zwakke, sterke en gemengde werkwoorden

Das Perfekt: Schwache, Starke und Gemischte Verben


Das Perfekt drückt abgeschlossene Handlungen aus, gebildet mit dem Hilfsverb haben oder sein und dem Partizip II.

(Het Perfekt drukt afgeronde handelingen uit en wordt gevormd met het hulpwerkwoord haben of sein en het Partizip II.)

Perfekt in het Duits: het snelle bouwplan

Perfekt gebruik je vaak in gesprekken om over het verleden te praten.

  • Hilfsverb = haben of sein
  • Partizip II = voltooid deelwoord (bv. gesehen, gebucht, nachgedacht)
  • Belangrijk: het Partizip II staat (bijna altijd) achteraan in de zin.

Stap 1: kies het juiste hulpwerkwoord (haben of sein)

Gebruik meestal… Wanneer? Voorbeeld (Perfekt)
haben
  • bij bijna alle werkwoorden met een object (iets/ iemand)
  • bij veel denken/voelen/waarnemen-werkwoorden

Ich habe das Auto gesehen.

sein
  • bij beweging / verandering van plaats (gaan, rijden, lopen…)
  • bij toestandsverandering (opstaan, sterven…)

Wir sind in den Urlaub gefahren.

Praktische check: Gaat het vooral om verplaatsen van A naar B? Dan vaak sein. Anders meestal haben.

Stap 2: maak het Partizip II (zwak, sterk, gemengd)

Type Herkenning Partizip II Voorbeeld
Zwak (regelmatig) stam blijft gelijk ge- + stam + -t

Wir haben die Reise gebucht.

Sterk (onregelmatig) stam verandert vaak ge- + (andere stam) + -en

Du hast das Auto gesehen.

Gemengd stam verandert én eindigt vaak op -t (andere stam) + meestal -t

Ich habe lange nachgedacht.

Let op: “gemengd” is precies dat: een mix van sterk (stamwissel) en zwak (-t).

Woordvolgorde: waar zet je wat?

  • Hilfsverb staat op positie 2 (zoals een normaal vervoegd werkwoord).
  • Partizip II gaat naar het einde.
Correct Typische fout

Ich habe im Sekretariat lange über die Schulform nachgedacht.

Ich habe nachgedacht lange über die Schulform.

Nach dem Gespräch sind wir direkt zur Schule gefahren.

Nach dem Gespräch sind wir gefahren direkt zur Schule.

Tip: zet eerst je zin “normaal” met het hulpwerkwoord, en plak daarna het Partizip II helemaal achteraan.

Veelgemaakte verwarringen (en hoe je ze voorkomt)

  • 1) Infinitief na haben/sein? Nee. Na het hulpwerkwoord komt Partizip II.

    Ich habe das Formular ausfüllen. → Ich habe das Formular ausgefüllt.

  • 2) “sein” gebruiken bij een object? Meestal fout: met een duidelijk lijdend voorwerp bijna altijd haben.

    Wir sind die Unterlagen ausgefüllt. → Wir haben die Unterlagen ausgefüllt.

  • 3) Denken aan vs. nadenken over (twee verschillende werkwoorden):

    • an + Akk.: Ich habe an das Essen gedacht. (ik dacht aan…)
    • über + Akk.: Ich habe über das Problem nachgedacht. (ik dacht na over…)

Zelfcheck in 15 seconden

  1. Heb ik ein Hilfsverb? (haben/sein)

  2. Is het sein? Alleen bij beweging/toestandsverandering (vaak zonder object).

  3. Heb ik Partizip II (niet infinitief)? -t / -en / gemengd.

  4. Staat Partizip II achteraan?

  1. Zwakke werkwoorden: Verb + -t (bijv. nachgedacht, gelacht).
  2. Sterke werkwoorden: unregelmäßiger Stamm + -en (bijv. gesehen, gefahren).
  3. Gemengde werkwoorden: Verb mit unregelmäßigem Stamm + meistens -t (bijv. gedacht).
Verbtyp (Werkwoordtype)FormPerfekt (Perfekt)
Schwache Verben (Zwakke werkwoorden)haben + nachdenken (hebben + nadenken)Ich habe nachgedacht. (Ik heb nagedacht.)
Starke Verben (Sterke werkwoorden)haben + Objekt + sehen (hebben + object + zien)Du hast das Auto gesehen. (Jij hebt de auto gezien.)
Gemischte Verben (Gemengde werkwoorden)haben + Objekt + denken (hebben + object + denken)Du hast an das Essen gedacht. (Jij hebt aan het eten gedacht.)
Schwache Verben (Zwakke werkwoorden)haben + Objekt + buchen (hebben + object + boeken)Wir haben die Reise gebucht. (Wij hebben de reis geboekt.)
Starke Verben (Sterke werkwoorden)sein + Objekt + fahren (zijn + object + rijden)Wir sind in den Urlaub gefahren. (Wij zijn op vakantie gereden.)
Gemischte Verben (Gemengde werkwoorden)sein + laufen (zijn + lopen)Er ist gelaufen. (Hij heeft gelopen.)

Uitzonderingen!

  1. Gemengde werkwoorden combineren kenmerken van zwakke en sterke werkwoorden.
  2. Het Partizip II staat aan het einde van de zin.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ich habe gestern im Sekretariat lange über die passende Schulform für meine Tochter ____.

Ik heb gisteren op het secretariaat lang nagedacht over de passende schoolvorm voor mijn dochter ____.

2. Wir haben letzte Woche die Nachhilfe für Mathe online ____.

We hebben vorige week de bijles voor wiskunde online ____.

3. Am Tag der Immatrikulation hat sie im Medienzentrum den neuen Campusplan ____.

Op de dag van de inschrijving heeft ze in het mediacentrum de nieuwe campusplattegrond ____.

4. Nach dem Gespräch im Sekretariat sind wir direkt zur öffentlichen Schule ____.

Na het gesprek op het secretariaat zijn we direct naar de openbare school ____.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in de voltooide tijd (hulpwerkwoord haben of sein + Partizip II).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Ich denke lange über das Angebot nach.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich habe lange über das Angebot nachgedacht.
    (Ik heb lang nagedacht over het aanbod.)
  2. Du siehst im Büro ein neues Auto.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Du hast im Büro ein neues Auto gesehen.
    (Jij hebt op kantoor een nieuwe auto gezien.)
  3. Wir buchen die Dienstreise nach Berlin.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir haben die Dienstreise nach Berlin gebucht.
    (Wij hebben de zakenreis naar Berlijn geboekt.)
  4. Wir fahren am Wochenende in den Urlaub.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir sind am Wochenende in den Urlaub gefahren.
    (Wij zijn in het weekend op vakantie gegaan.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de correcte zin in het Perfekt.

1.
Fout: Bij transitieve werkwoorden zoals „ausfüllen“ vorm je het Perfekt met „haben“, niet met „sein“.
2.
Fout: Na het hulpwerkwoord moet het Partizip II staan („ausgefüllt“), niet de infinitief („ausfüllen“).

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Flavio Redecker

Master in Franse taalwetenschap en geschiedenis

Osnabrück University


Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 08/05/2026 14:08