Relatieve bijzinnen als attribuut - der, die, das, den

Relativsätze als Attribut - der, die, das, den


Relativsätze erklären Nomen genauer und stehen immer am Ende eines Nebensatzes, z.B. der Film, den du gesehen hast.

(Relatieve bijzinnen leggen zelfstandige naamwoorden nauwkeuriger uit en staan altijd aan het einde van een bijzin, bijv. der Film, den du gesehen hast.)

Wat is een Relativsatz (betrekkelijke bijzin)?

Een Relativsatz geeft extra info over een zelfstandig naamwoord (of pronomen) in de hoofdzin.

  • Je koppelt twee zinnen tot één: “de adviseur …” + “hij …”.
  • In het Duits gebruik je vaak: der / die / das / den.
Hoofdzin Relativsatz
Er sprach mit dem Finanzberater, der ihn gestern beraten hat.

Stap 1: Kies het juiste Relativpronomen (genus + getal)

Begin met het woord waar je naar verwijst. Het genus (der/die/das) en enkelvoud/meervoud bepalen de basisvorm.

Woord Genus Relativpronomen (basis)
der Berater mannelijk der
die Investition vrouwelijk die
das Sparfenster onzijdig das
die Kosten meervoud die

Stap 2: Bepaal de naamval in de Relativsatz (dat is de valkuil)

De naamval hangt niet af van het woord in de hoofdzin, maar van de functie in de relativsatz.

  • Vraag in de relativsatz: wie doet iets?Nominativ (der/die/das)
  • Vraag: wie/wat wordt “genomen/gezegd/gezien”?Akkusativ (den/die/das)
Functie in de relativsatz Vraag Voorbeeld
Onderwerp (Nominativ) Wie? … der ihn gestern beraten hat. (Wie hat beraten? der.)
Lijdend voorwerp (Akkusativ) Wen/was? … den du nicht bekommen hast. (Wen hast du nicht bekommen? den Kredit.)

Let op: het woord in de hoofdzin kan bv. mit dem Finanzberater (datief) zijn, maar in de relativsatz kan het toch der zijn, omdat hij daar het onderwerp is.

Snelle keuzehulp: der/die/das of den?

In deze les heb je vooral deze vier vormen nodig:

Nominativ Akkusativ
der (m) den (m)
die (v / mv) die (v / mv)
das (o) das (o)
  • Alleen bij mannelijk Akkusativ verandert het duidelijk: der → den.
  • Vrouwelijk en onzijdig blijven in Akkusativ hetzelfde: die, das.

Woordvolgorde: het werkwoord staat op het einde

Een relativsatz is een bijzin. Daarom:

  • Relativpronomen staat vroeg in de bijzin.
  • Persoonsvorm staat helemaal achteraan.
Correct Das ist die Quittung, die ich für die Steuererklärung aufheben muss.
Fout Das ist die Quittung, die ich muss aufheben.

Zo check je jezelf in 10 seconden

  1. Welk woord wordt uitgelegd? (genus + enkelvoud/meervoud)
  2. In de relativsatz: is dat woord onderwerp of lijdend voorwerp?
  3. Kies het pronomen: der/die/das (nominativ) of den/die/das (akkusativ).
  4. Zet de persoonsvorm op het einde.

Mini-voorbeelden (zakelijk en natuurlijk)

  • Das ist der Vertrag, den wir gestern unterschrieben haben.
  • Ich suche eine Lösung, die wirklich praktikabel ist.
  • Das ist das Tool, das unsere Prozesse schneller macht.
  • In der Filiale arbeitet ein Kollege, der sich gut mit Online-Banking auskennt.
  1. Een relatieve bijzin verduidelijkt een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord.
  2. Het werkwoord in de relatieve bijzin staat altijd aan het einde.
  3. Relatieve bijzinnen worden gevormd met 'der', 'die', 'das' of 'den'.
Artikel (Lidwoord)Beispiele (Voorbeelden)
der (der)Er sprach mit dem Finanzberater, der ihn gestern beraten hat. (Hij sprak met de financieel adviseur, die hem gisteren heeft geadviseerd.)
die (die)Das war eine Investition, die mir große Angst gemacht hat. (Dat was een investering die me erg bang heeft gemaakt.)
das (das)Das ist das Sparfenster, das ich ausnutzen möchte. (Dat is het spaarmoment dat ik wil benutten.)
den (den)Max hat einen Kredit bekommen, den du nicht bekommen hast. (Max heeft een lening gekregen die jij niet hebt gekregen.)

Uitzonderingen!

  1. Het zelfstandig naamwoord wordt gevormd met de naamval die in de context relevant is.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ich brauche die Quittung, ___ ich für meine Steuererklärung aufheben muss.

Ik heb het bonnetje nodig ___ ik moet bewaren voor mijn belastingaangifte.

2. Das ist der Kredit, ___ die Bank nach der Prüfung genehmigt hat.

Dat is de lening ___ de bank na de controle heeft goedgekeurd.

3. In der Filiale arbeitet ein Berater, ___ sich gut mit Online-Banking auskennt.

In het filiaal werkt een adviseur ___ veel van online bankieren afweet.

4. Das Tagesgeldkonto, ___ ich letzte Woche eröffnet habe, hat bessere Zinsen.

De spaarrekening ___ ik vorige week heb geopend, heeft betere rente.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Verbind de twee zinnen tot één zin met een betrekkelijke bijzin (die/dat/den).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Ich habe einen Finanzberater. Er hat mir gestern geholfen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Ich habe einen Finanzberater, der mir gestern geholfen hat.
    (Ik heb een financieel adviseur, die me gisteren heeft geholpen.)
  2. Das ist eine Investition. Sie macht mir große Angst.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Das ist eine Investition, die mir große Angst macht.
    (Dat is een investering, die me erg bang maakt.)
  3. Wir suchen ein Sparangebot. Ich möchte es heute ausnutzen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Wir suchen ein Sparangebot, das ich heute ausnutzen möchte.
    (We zoeken een spaaractie, waar ik vandaag gebruik van wil maken.)
  4. Max hat einen Kredit bekommen. Du hast ihn nicht bekommen.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Max hat einen Kredit bekommen, den du nicht bekommen hast.
    (Max heeft een krediet gekregen, dat jij niet hebt gekregen.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de correcte zin met een betrekkelijke bijzin (der, die, das, den).

1.
Fout: „Belastingaanslag“ is vrouwelijk, daarom moet het betrekkelijk voornaamwoord „die“ zijn, niet „den“.
2.
Fout: In de betrekkelijke bijzin staat „doorlopende opdracht“ in de accusatief, daarom moet het betrekkelijk voornaamwoord „den“ zijn, niet „der“.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Flavio Redecker

Master in Franse taalwetenschap en geschiedenis

Osnabrück University


Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 08/05/2026 05:19