De tijdsovereenstemming

La concordance des temps


La concordance des temps détermine l'harmonie entre la principale et la subordonnée dans une phrase

(De concordantie van de tijden bepaalt de samenhang tussen de hoofdzin en de bijzin in een zin.)

Concordance des temps: denk eerst in “relatieve tijd”

In zinnen met que (ik denk dat…, hij zei dat…) kies je de tijd in de bijzin niet “op zichzelf”, maar in relatie tot de hoofdzin.

  • Simultanéité = tegelijk met de hoofdzin
  • Antériorité = vóór de hoofdzin
  • Postériorité = ná de hoofdzin

Praktische vraag die je jezelf stelt:

  1. Wanneer is de hoofdzin (nu / toen / later)?
  2. Gebeurde de bijzin tegelijk, eerder of later?
  3. Kies dan de tijd in de bijzin volgens het schema.

Hoofdzin in het heden: bijzin kan heden, verleden of toekomst zijn

Als de hoofdzin in het présent staat (je pense / je sais / il dit…), dan is de bijzin vrij “logisch”:

Relatie Typische combinatie Voorbeeld
Tegelijk Présent + Présent Je pense que le biologiste analyse l’échantillon.
Eerder Présent + Passé composé Elle sait que le rapport a été envoyé.
Later Présent + Futur Je pense qu’on terminera le projet demain.

Let op: in het Frans gebruik je na quand / lorsque / dès que voor de toekomst vaak présent (niet futur), maar dit is een ander “mechanisme” dan que-zinnen. Bijvoorbeeld: Quand tu arrives, on commence.

Hoofdzin in het verleden: de bijzin schuift mee naar het verleden

Als de hoofdzin in het verleden staat (passé composé / imparfait), dan “veranker” je alles in het verleden:

Relatie t.o.v. het verleden Typische combinatie Voorbeeld
Tegelijk (toen) Imparfait + Imparfait Le chef savait que le budget était insuffisant.
Eerder (al gebeurd) Passé composé + Plus-que-parfait Il a vu que la solution s’était dégradée.
Later (nog in de toekomst vanuit toen) Passé + Conditionnel Elle a dit qu’elle signerait le contrat la semaine suivante.

De valkuil: geen futur simple in de bijzin als de hoofdzin verleden is

Dit is dé klassieker bij Nederlandstaligen:

  • Il a dit qu’il viendrait demain. (later t.o.v. toen)
  • Il a dit qu’il viendra demain.

Waarom? Frans gebruikt hier het conditionnel présent als “toekomst in het verleden”.

Snelcheck: kies in 10 seconden de juiste tijd

  1. Hoofdzin nu? (présent) → bijzin: présent / passé composé / futur
  2. Hoofdzin toen? (passé) → bijzin: imparfait / plus-que-parfait / conditionnel
  3. Tegelijk? → zelfde “tijdsvlak” (nu: présent; toen: imparfait)
  4. Eerder? → één stap terug (nu: passé composé; toen: plus-que-parfait)
  5. Later? → één stap vooruit (nu: futur; toen: conditionnel)

Wat moet je vooral onthouden (B1) ?

  • Bij que-zinnen gaat het om relatie tussen twee acties, niet om “losse” tijden.
  • Passé → conditionnel voor laterheid: il a dit qu’il ferait…
  • Passé → plus-que-parfait voor iets dat al gebeurd was: il a vu que… s’était…
  • Twijfel je? Zet een tijdlijn in je hoofd: toen (hoofdzin) en kijk of de bijzin ervoor, tegelijk of erna ligt.
  1. De bijzin kan een handeling uitdrukken die tegelijk met die van de hoofdzin gebeurt (= gelijktijdigheid), vóór die van de hoofdzin (= voorafgaan), of na die van de hoofdzin (= naderhand).
  2. Als de hoofdzin in de tegenwoordige tijd staat, kan de bijzin in de tegenwoordige tijd, de toekomende tijd of de passé composé staan, afhankelijk van de betekenis; als de hoofdzin in het verleden staat, krijgt de bijzin vaak de imparfait of de plus-que-parfait.
  3. Wanneer het werkwoord van de hoofdzin in het verleden staat, is het grammaticaal onmogelijk om in de bijzin de futur simple te gebruiken: om postérioriteit in het verleden uit te drukken, gebruikt men vaak de conditionnel présent.
GelijktijdigheidVoorafgaandheidNaderhand
Présent + PrésentPrésent + Passé composé Présent + Futur
Je pense que l’inventeur étudie les données. (Ik denk dat de uitvinder de gegevens bestudeert.)Il sait qu'elle a fini son travail. (Hij weet dat ze haar werk heeft afgemaakt.)Je pense qu’il inventera une nouvelle machine bientôt. (Ik denk dat hij binnenkort een nieuwe machine zal uitvinden.)
Imparfait + ImparfaitPassé composé + Plus-que-parfait Imparfait + Conditionnel
Le chef savait que l’étude était longue (De chef wist dat de studie lang was.)Le chercheur a vu que le liquide s’était évaporé hier. (De onderzoeker zag dat de vloeistof gisteren verdampt was.)Je pensais qu'il viendrait (Ik dacht dat hij zou komen.)
Futur + FuturFutur + Futur antérieurPassé composé + Conditionnel
Je le ferai quand tu seras (Ik zal het doen wanneer jij daar zult zijn.)Quand tu arriveras, j'aurai fini mon invention. (Wanneer je aankomt, zal ik mijn uitvinding afgemaakt hebben.)Elle a dit qu’elle finirait bientôt ce projet. (Ze zei dat ze dit project binnenkort zou afronden.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Je pense que le biologiste ____ la matière en ce moment.

Ik denk dat de bioloog de materie op dit moment ____.

2. Elle sait que l’échantillon ____ stérilisé avant le protocole.

Zij weet dat het monster vóór het protocol ____ gesteriliseerd.

3. Le chef a expliqué que le liquide ____ pendant la nuit.

De leidinggevende heeft uitgelegd dat de vloeistof ’s nachts ____.

4. Je pensais que l’inventeur ____ une nouvelle méthode sous la supervision du directeur.

Ik dacht dat de uitvinder onder toezicht van de directeur een nieuwe methode ____.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Harmoniseer de tijden tussen de hoofdzin en de bijzin: herschrijf elke zin door het werkwoord in de bijzin op de juiste tijd te zetten (gelijktijdigheid, anterioriteit of posterioriteit).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Je sais qu'il (terminer) le rapport hier.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je sais qu'il a terminé le rapport hier.
    (Ik weet dat hij het rapport gisteren heeft afgemaakt.)
  2. Je pensais que tu (venir) à la réunion demain.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je pensais que tu viendrais à la réunion demain.
    (Ik dacht dat je morgen naar de vergadering zou komen.)
  3. Il a compris que les clients (déjà partir) quand il est arrivé.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Il a compris que les clients étaient déjà partis quand il est arrivé.
    (Hij begreep dat de klanten al vertrokken waren toen hij aankwam.)
  4. Quand tu (arriver), je (déjà finir) la présentation.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Quand tu arriveras, j'aurai déjà fini la présentation.
    (Wanneer je aankomt, zal ik de presentatie al hebben afgemaakt.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1.
Onjuist: met een hoofdzin in het verleden (« zei ») gebruikt men in de bijzin niet de toekomende tijd; voor laterheid is de voorwaardelijke wijs nodig.
2.
Onjuist: met een hoofdzin in het verleden (« wist ») moet de bijzin in het verleden staan (onvoltooid verleden tijd) als men een toestand op hetzelfde moment in het verleden beschrijft, niet in de tegenwoordige tijd.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Oscar Figueiral Marques

Meester

Université de Poitiers

University_Logo

Frankrijk


Laatst bijgewerkt:

woensdag, 03/06/2026 09:16