Het infinitief: gebruik

L'infinitif : emplois


Quand deux verbes se suivent, le deuxième se met à l'infinitif. Le premier verbe est conjugué, tandis que le second exprime l'action visée.

(Wanneer twee werkwoorden elkaar opvolgen, staat het tweede in de infinitief. Het eerste werkwoord is vervoegd, terwijl het tweede de beoogde handeling uitdrukt.)

Infinitief na een hoofdwerkwoord: de basisregel

In het Frans staat een werkwoord vaak in de infinitief (de hele werkwoordsvorm) na een ander werkwoord of een vaste uitdrukking.

Structuur Voorbeeld (correct)
werkwoord 1 + infinitief Je dois prendre ce médicament.
uitdrukking + de + infinitief J’ai besoin de consulter un médecin.
aller + infinitief (nabije toekomst) Je vais vous prescrire un antibiotique.

Welke werkwoorden “trekken” bijna altijd een infinitief aan?

  • Modale werkwoorden (willen/kunnen/moeten): vouloir, pouvoir, devoir, falloir → daarna infinitief.
  • Gevoel/mening: aimer (en gelijkaardig) → daarna infinitief.
  • Toekomst met aller: aller → daarna infinitief.

Let op: na devoir / pouvoir / vouloir komt geen “que”.

  • Correct: Je dois prendre ce comprimé.
  • Fout: Je dois que prendre ce comprimé.

De of geen “de”? Zo maak je de juiste keuze

In veel vaste combinaties is de verplicht. Dat moet je vaak gewoon herkennen.

Patroon Typische combinaties Voorbeeld
zonder de vouloir, pouvoir, devoir, aller Je vais acheter des pastilles.
de + infinitief avoir besoin de, avoir envie de, ça m’énerve de, ça me plaît de Ça m’énerve de tomber malade avant une réunion.

Zelfcheck: staat er in de uitdrukking al “de” (zoals besoin de)? Dan komt er bijna altijd de + infinitief achter.

Belangrijkste uitzondering: hetzelfde onderwerp of niet?

De infinitief gebruik je alleen wanneer beide werkwoorden hetzelfde onderwerp hebben.

  1. Zelfde onderwerpinfinitief
    • Je veux acheter un sirop. (ik wil + ik koop)
  2. Ander onderwerp → vaak que + subjonctif
    • Je veux que vous me donniez un sirop. (ik wil + u geeft)

Snelle beslisboom (10 seconden)

  1. Vraag 1: Gaat het om hetzelfde onderwerp?
    • Ja → ga naar vraag 2.
    • Nee → gebruik meestal que + subjonctif (niet de infinitief).
  2. Vraag 2: Is het een modaal werkwoord of aller?
    • Ja → infinitief zonder de.
    • Nee → check of de uitdrukking de vereist (bv. avoir besoin de).

Typische valkuilen (en hoe je ze voorkomt)

  • Onnodig “que” toevoegen na modale werkwoorden:
    • Correct: Il doit prendre ses médicaments.
    • Fout: Il doit que prendre ses médicaments.
  • Infinitief gebruiken met twee verschillende onderwerpen:
    • Correct: Je veux que tu prennes rendez-vous.
    • Fout: Je veux prendre rendez-vous. (betekent: ík ga een afspraak maken)
  • De vergeten bij een vaste uitdrukking:
    • Correct: J’ai envie de partir.
    • Fout: J’ai envie partir.
  1. Het werkwoord dat volgt op een modaal werkwoord zoals 'pouvoir', 'falloir''vouloir' en 'devoir' staat altijd in de infinitief.
  2. Het werkwoord dat volgt op een gevoelswerkwoord zoals 'aimer' staat altijd in de infinitief.
  3. Het werkwoord dat volgt op het werkwoord 'aller' staat altijd in de infinitief.
Verbe principal / Expression (Hoofdwerkwoord / Uitdrukking)Verbe à l'infinitif (Werkwoord in de infinitief)Exemple (Voorbeeld)
Verbes modaux : Vouloir, Devoir, Falloir, Pouvoir (Modale werkwoorden: Vouloir, Devoir, Falloir, Pouvoir)Tousser, Prendre, Consulter (Hoesten, Nemen, Raadplegen)Je veux tousser ; Il doit prendre son médicament ; Faut-il consulter un médecin ? (Ik wil hoesten; Hij moet zijn medicijn nemen; Moet je een arts raadplegen?)
Avoir besoin / Avoir envie (de) (Nodig hebben / Zin hebben (om))Aller (Gaan)J'ai besoin d'aller à la pharmacie. (Ik moet naar de apotheek.)
Ça m'énerve (de) (Dat ergert me (om))Tomber (Worden)Ça m'énerve de tomber toujours malade. (Het ergert me dat ik altijd ziek word.)
Ça me plaît (de) (Dat bevalt me (om))Partir (Vertrekken)Ça me plairait de partir en vacances.  (Ik zou het fijn vinden om op vakantie te gaan. )
Aimer (Houden van)Perdre (Verliezen)J'aurais aimé perdre plus de poids. (Ik had graag meer gewicht willen verliezen.)
Aller (Gaan)Prescrire (Voorschrijven)Je vais vous prescrire des antibiotiques. (Ik ga u antibiotica voorschrijven.)
Souhaiter (Wensen)Acheter (Kopen)Nous souhaiterions acheter du sirop pour la toux. (Wij zouden graag hoestsiroop kopen.)

Uitzonderingen!

  1. We gebruiken alleen de infinitief wanneer de twee werkwoorden hetzelfde onderwerp hebben. Voorbeeld: Je veux faire.
  2. Wanneer de twee onderwerpen verschillend zijn, gebruiken we de subjonctif. Voorbeeld: Je veux que tu fasses.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Vous pouvez ____ ce comprimé effervescent après le repas.

U kunt deze bruistablet na de maaltijd ____.

2. J'ai besoin ____ à la pharmacie pour acheter des pastilles pour la gorge.

Ik moet ____ naar de apotheek om keelpastilles te kopen.

3. Ça m'énerve ____ malade juste avant un déplacement professionnel.

Het irriteert me ____ ziek te worden vlak voor een zakenreis.

4. Je vais vous ____ un antibiotique si la fièvre continue demain.

Ik ga u een antibioticum ____, als de koorts morgen aanhoudt.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf elke zin door «que + vervoegd werkwoord» te vervangen door «de + infinitief» wanneer het onderwerp hetzelfde is. Voorbeeld: Je veux que je parte. → Je veux partir.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Je dois que je prenne rendez-vous chez le médecin.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Je dois prendre rendez-vous chez le médecin.
    (Ik moet een afspraak maken bij de dokter.)
  2. Nous voulons que nous achetions du sirop pour la toux à la pharmacie.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Nous voulons acheter du sirop pour la toux à la pharmacie.
    (Wij willen hoestsiroop kopen bij de apotheek.)
  3. Il faut que je consulte un médecin avant lundi.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Il faut consulter un médecin avant lundi.
    (Het is nodig een dokter te raadplegen vóór maandag.)
  4. J’ai besoin que j’aille chercher mes médicaments cet après-midi.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    J’ai besoin d’aller chercher mes médicaments cet après-midi.
    (Ik moet vanmiddag mijn medicijnen gaan ophalen.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1.
Na « devoir » zet je het volgende werkwoord in de infinitief: je zegt « je dois prendre », niet « je dois que prendre ». (Fout: onnodige toevoeging van « que »).
2.
De onderwerpen zijn verschillend (je / vous): na « je veux que » is de subjonctif nodig — « que vous me donniez » — en niet de infinitief « donner ». (Fout: infinitief in plaats van subjonctif).

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Oscar Figueiral Marques

Meester

Université de Poitiers

University_Logo

Frankrijk


Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 29/05/2026 16:49