De nadruk: C’est moi qui

La mise en relief : C’est moi qui


La mise en relief permet d'insister sur un élément spécifique (sujet, complément, pronom) en l'encadrant avec « c'est... qui/que » ou « ce sont... qui/que ».

(De nadruk leggen maakt het mogelijk om een specifiek element (onderwerp, complement, voornaamwoord) te benadrukken door het te omkaderen met « c'est... qui/que » ou « ce sont... qui/que ».)

Wanneer gebruik je c’est… qui/que?

Met c’est… qui/que (en ce sont…) zet je één zinsdeel extra in de verf: precies dát is belangrijk.

  • Vergelijkbaar met Nederlands: “Het is … die/dat …”
  • Handig in gesprekken: verduidelijken, corrigeren, contrasteren
Situatie Frans Nederlands idee
Je benadrukt de persoon/zaak C’est Paul… / Ce sont les salariés Het is Paul… / Het zijn de werknemers
Je voegt daarna een bijzin toe … qui / que … … die / dat …

Stap 1: kies qui of que (de snelle check)

De keuze is bijna altijd mechanisch:

  • QUI als het benadrukte element het onderwerp is van de bijzin (doet de actie).
  • QUE als het benadrukte element lijdend voorwerp is in de bijzin (ondergaat de actie).
Vraag in je hoofd Dan gebruik je Voorbeeld
Wie/wat doet in de bijzin? qui C’est le salarié qui négocie.
Wie/wat wordt (gekozen, getekend, gevalideerd…)? que C’est le CDI que je signe.

Zelfcheck: probeer de bijzin te zeggen zónder “c’est”.

  • Le salarié négocie → dus: qui.
  • Je signe le CDI → dus: que.

Stap 2: enkelvoud of meervoud? c’est vs. ce sont

Kijk naar het benadrukte element (niet naar de rest van de zin).

  • EnkelvoudC’est
  • MeervoudCe sont
Correct Veelgemaakte fout
Ce sont les salariés qui négocient. C’est les salariés qui négocient.
C’est le CDI que je signe. Ce sont le CDI que je signe.

Let op (zoals in je boek): gebruik ce sont als het benadrukte element meervoud is en zonder voorzetsel (onderwerp of lijdend voorwerp).

Voorbeeld: Ce sont les contrats que j’ai signés.

Stap 3: met voorzetsel? Laat het voorzetsel staan

Als je in de normale zin een voorzetsel nodig hebt (à, de, avec, pour…), blijft dat zo in de nadrukzin.

  • Je parle à Paul. → C’est à Paul que je parle.
  • Je travaille avec elle. → C’est avec elle que je travaille.
Correct Fout (voorzetsel verdwijnt)
C’est à la responsable RH que je parle. C’est la responsable RH que je parle.

Stap 4: voor personen gebruik je vaak een tonisch voornaamwoord

Na c’est gebruik je heel vaak de beklemtoonde vorm:

Onderwerpvorm Tonisch (na c’est) Voorbeeld
je moi C’est moi qui demande.
tu toi C’est toi qui décides.
il/elle lui / elle C’est elle qui valide le devis.
nous nous C’est nous qui gérons le dossier.
vous vous C’est vous qui tranchez.
ils/elles eux / elles Ce sont eux qui négocient.

Typische fout:

  • C’est je qui…C’est moi qui…

Mini-checklist: zo weet je dat je zin klopt

  1. Wat wil ik benadrukken? (persoon/zaak/groep)
  2. Enkelvoud of meervoud? → c’est / ce sont
  3. Is er een voorzetsel nodig? → laat het staan (à, de, avec…)
  4. In de bijzin: doet het benadrukte element de actie? → qui; anders → que
  5. Bij persoon na c’est: liever moi/toi/lui/elle/eux…

Resultaat: je klinkt preciezer en professioneler, vooral als je iets wilt rechtzetten of expliciet maken.

Structure (Structuur)Exemple (Voorbeeld)
Sujet (Onderwerp)C’est le salarié qui négocie. (Het is de werknemer die onderhandelt.)
Complément direct (Lijdend voorwerp)C’est le CDI que je signe. (Het is het contract voor onbepaalde tijd dat ik teken.)
Pronom (tonique) (Voornaamwoord (beklemtoond))C’est moi qui demande. (Ik ben het die het vraagt.)
Avec préposition (Met voorzetsel)C’est à Paul que je parle. (Het is met Paul dat ik praat.)
Pluriel (Meervoud)Ce sont les salariés qui négocient. (Het zijn de werknemers die onderhandelen.)

Uitzonderingen!

  1. On utilise “ce sont” als het benadrukte element in het meervoud staat en het onderwerp is of een lijdend voorwerp, zonder voorzetsel. Exemple : Ce sont les contrats que j'ai signé.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. _____ qui demande une augmentation après la période d’essai.

_____ die na de proefperiode om een loonsverhoging vraagt.

2. C’est _____ que je signe aujourd’hui, pas un CDD.

Het is _____ dat ik vandaag onderteken, geen contract voor bepaalde tijd.

3. C’est _____ que je parle au sujet de la convention collective.

Het is _____ dat ik spreek over de collectieve arbeidsovereenkomst.

4. _____ qui négocient les horaires flexibles avec la direction.

_____ die de flexibele werktijden met de directie onderhandelen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Zet het onderstreepte element in de verf door de zin te herschrijven met « c’est… qui/que » of « ce sont… qui/que » (bv. Je signe le CDI. → C’est le CDI que je signe).

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Je commence le projet aujourd’hui : <u>moi</u>, je suis prêt.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C’est moi qui commence le projet aujourd’hui.
    (C’est ik die het project vandaag begin.)
  2. Dans cette réunion, <u>le responsable RH</u> explique les étapes du recrutement.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C’est le responsable RH qui explique les étapes du recrutement dans cette réunion.
    (C’est de HR-verantwoordelijke die de stappen van de werving uitlegt in deze vergadering.)
  3. Je valide <u>le devis</u> cet après-midi.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C’est le devis que je valide cet après-midi.
    (C’est de offerte die ik vanmiddag goedkeur.)
  4. Je téléphone <u>à mon collègue</u> pour confirmer l’horaire.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    C’est à mon collègue que je téléphone pour confirmer l’horaire.
    (C’est mijn collega die ik bel om het tijdstip te bevestigen.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1.
Incorrect: in het meervoud gebruikt men niet « dit is de ... »; het moet « dit zijn ... » zijn. Deze variant is een veelvoorkomende fout.
2.
Incorrect: « dit zijn » wordt gebruikt voor een meervoudig element; hier is « HR » enkelvoud, dus « het is naar HR dat » is correct. Deze vorm is een veelvoorkomende fout.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Oscar Figueiral Marques

Meester

Université de Poitiers

University_Logo

Frankrijk


Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 29/05/2026 21:12