Le discours indirect rapporte les propos de quelqu'un sous forme de récit, par l'intermédiaire d'un narrateur. Exemple : Il a dit qu'il viendra demain.

(De indirecte rede geeft de woorden van iemand weer in de vorm van een verslag, via een verteller. Voorbeeld: Il a dit qu'il viendra demain.)

Wanneer moet je de tijden aanpassen?

Bij indirecte rede (discours indirect) rapporteer je wat iemand zei, zonder aanhalingstekens.

  • Hoofdzin in het heden of de toekomst (bijv. il dit / il dira) → geen tijdverschuiving.
  • Hoofdzin in een verleden tijd (bijv. il a dit / il disait / il déclara) → wel tijdverschuiving in de bijzin (concordance des temps).

Vuistregel: staat het “zeg-werkwoord” in het verleden, dan zet je de tijd in de bijzin meestal één stap terug.

Tijdverschuiving in 5 vaste koppels (meest gebruikt)

Directe rede Indirecte rede (hoofdzin in verleden) Snelle check
présent imparfait “nu” → “toen”
passé composé / passé simple plus-que-parfait “afgerond” → “al afgerond”
imparfait imparfait blijft hetzelfde
futur conditionnel présent “zal” → “zou”
futur antérieur conditionnel passé “zal klaar zijn” → “zou klaar zijn”

Stap-voor-stap: zo zet je een zin om

  1. Stap 1: Kies je inleiding: il dit / il a dit / elle a expliqué / ils ont précisé…

  2. Stap 2: Voeg meestal que toe.

    Elle a dit : « Je refuse. »Elle a dit qu’elle…

  3. Stap 3: Staat de hoofdzin in het verleden? Pas dan de tijd aan volgens de tabel.

  4. Stap 4: Pas persoonswoorden (je/tu, mon/son, ici/là-bas…) aan aan de nieuwe spreker.

Pronomen & “perspectief”: de typische valkuil

In indirecte rede verandert vaak het standpunt. Vraag jezelf: van wie is “mijn/jouw/onze” nu?

Direct Indirect Waarom?
Il a dit : « J’ai mon badge. » Il a dit qu’il avait son badge. “mon” hoort bij ilson
Elle m’a dit : « Je peux t’aider. » Elle m’a dit qu’elle pouvait m’aider. t’ wordt m’ (wie wordt geholpen?)
  • jeil/elle (of je, als jij rapporteert wat jij zelf zei)
  • tuje of il/elle (afhankelijk van aan wie het gericht was)
  • mon/ma/messon/sa/ses (meestal)
  • notreleur (als “wij” = “zij” in jouw verhaal)

Ook tijdwoorden verschuiven soms mee

Als je rapporteert vanuit een later moment, verschuift vaak ook de tijdsaanduiding.

Direct Indirect (typisch)
aujourd’hui ce jour-là
ce matin ce matin-là / ce matin (context)
hier la veille
demain le lendemain
la semaine prochaine la semaine suivante
l’année dernière l’année précédente

Tip: als het tijdwoord nog steeds klopt op het moment van spreken, hoeft het niet per se te veranderen. Maar bij formeel Frans zijn bovenstaande verschuivingen heel gebruikelijk.

Snelle zelfcheck (voor je antwoord)

  • 1) Staat het “zeg-werkwoord” in het verleden? → tijd in de bijzin aanpassen.
  • 2) Kijk naar het werkwoord in de directe zin: présent / passé composé / futur?
  • 3) Pas pronomen aan: wie is “ik”, wie is “mijn”?
  • 4) Controleer tijdwoorden: vandaag / volgende week / vorig jaar?

Mini-voorbeelden (professionele context)

  • Le responsable a dit : « Je finalise le rapport. »
    → Le responsable a dit qu’il finalisait le rapport.

  • La RH a expliqué : « Nous avons validé votre candidature. »
    → La RH a expliqué qu’ils avaient validé ma candidature.

  • Le client a annoncé : « Je paierai lundi. »
    → Le client a annoncé qu’il paierait lundi.

  • Elle a précisé : « J’aurai terminé avant 18 h. »
    → Elle a précisé qu’elle aurait terminé avant 18 h.

Let op: schrijf qu’il (niet que qu’il).

  1. Wanneer het werkwoord van de hoofdzin in de tegenwoordige tijd of in de toekomende tijd staat, ondergaat het werkwoord in de bijzin geen veranderingen ten opzichte van de directe rede. Voorbeeld: "Elle dira : je suis une citoyenne." → "Elle dira qu'elle est une citoyenne."
  2. Wanneer het werkwoord van de hoofdzin in een verleden tijd staat, verandert de werkwoordstijd in de bijzin ten opzichte van de directe rede.
Discours direct (Directe rede)Discours indirect (Indirecte rede)Exemples
Indicatif présentIndicatif imparfaitElle disait : "Je refuse". → Elle disait qu'elle refusait. (Ze zei: "Ik weiger". → Ze zei dat ze weigerde.)
Passé composé / Passé simplePlus-que-parfaitIl a dit : "J'ai eu la licence" → Elle a dit qu'elle avait eu la licence. (Hij zei: "Ik heb het diploma gehaald" → Zij zei dat ze het diploma gehaald had.)
ImparfaitImparfaitTu as déclaré : "J'avais un cousin maire." → Tu as déclaré que tu avais un cousin maire. (Je verklaarde: "Ik had een neef die burgemeester was." → Je verklaarde dat je een neef had die burgemeester was.)
FuturConditionnel présentIl a dit : "J'arriverai en retard". → Il a dit que qu'il arriverait en retard. (Hij zei: "Ik zal te laat komen". → Hij zei dat hij te laat zou komen.)
Futur antérieurConditionnel passéIl déclara : "J'aurai bientôt fini". → Il déclara qu'il aurait bientôt fini. (Hij verklaarde: "Ik zal binnenkort klaar zijn". → Hij verklaarde dat hij binnenkort klaar zou zijn.)
ConditionnelConditionnelLe ministre de L'Intérieur a précisé : "J'aimerais être présent" → Le ministre de l'Intérieur a précisé qu'il aimerait être présent. (De minister van Binnenlandse Zaken verduidelijkte: "Ik zou graag aanwezig zijn" → De minister van Binnenlandse Zaken verduidelijkte dat hij graag aanwezig zou zijn.)

Uitzonderingen!

  1. Je moet de voornaamwoorden aanpassen volgens de betekenis van de zin. Voorbeeld: Il disait : J'ai mon permis → Il disait qu'il avait son permis.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1. Le maire a expliqué que le délai pour déposer le dossier ______ de deux semaines.

De burgemeester legde uit dat de termijn om het dossier in te dienen ______ twee weken was.

2. Au consulat, l'agent m'a dit que je ______ demander une autorisation avant de travailler.

Op het consulaat zei de medewerker me dat ik ______ een toestemming moest aanvragen voordat ik ging werken.

3. La vice-présidente du district a annoncé que l'allocation ______ versée le mois suivant.

De vicevoorzitter van het district kondigde aan dat de uitkering ______ de volgende maand zou worden uitgekeerd.

4. Le ministre de l'Intérieur a précisé qu'il avait déjà obtenu ______ permis l'année précédente.

De minister van Binnenlandse Zaken verduidelijkte dat hij ______ vergunning al het jaar ervoor had verkregen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Zet de zinnen om in de indirecte rede (met «que»), pas de tijden aan als de hoofdzin in het verleden staat en verander eventueel de voornaamwoorden. Voorbeeld: Il a dit : « Je viens. » → Il a dit qu’il venait.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Le directeur a annoncé : « Nous ouvrons un nouveau bureau à Lyon. »
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Le directeur a annoncé qu’ils ouvraient un nouveau bureau à Lyon.
    (De directeur kondigde aan dat zij een nieuw kantoor in Lyon openden.)
  2. Sophie a expliqué : « J’ai envoyé le dossier ce matin. »
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Sophie a expliqué qu’elle avait envoyé le dossier ce matin-là.
    (Sophie legde uit dat zij het dossier die ochtend had verstuurd.)
  3. Le responsable a précisé : « Je travaillais déjà sur ce projet l’année dernière. »
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Le responsable a précisé qu’il travaillait déjà sur ce projet l’année précédente.
    (De verantwoordelijke verduidelijkte dat hij al aan dit project werkte in het voorafgaande jaar.)
  4. Le client a dit : « Je paierai la facture la semaine prochaine. »
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Le client a dit qu’il paierait la facture la semaine suivante.
    (De klant zei dat hij de factuur de week daarop zou betalen.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de correcte zin in de indirecte rede.

Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.

1.
Met een hoofdwerkwoord in de verleden tijd (« a expliqué ») passen we de tijdenvolgorde toe: de tegenwoordige tijd (« peux ») moet naar de onvoltooid verleden tijd (« pouvais »).
2.
We gebruiken « que si » niet samen; bovendien moet met « a demandé » (verleden tijd) het werkwoord in de bijzin in tijd worden aangepast (de tegenwoordige tijd « suis » wordt « étais »).

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Oscar Figueiral Marques

Meester

Université de Poitiers

University_Logo

Frankrijk


Laatst bijgewerkt:

zondag, 31/05/2026 12:21