Esercizio: Gespreksoefening

Istruzione:

  1. Riesci a nominare le stagioni e i mesi? (Kun je de seizoenen en maanden noemen?)
  2. Com'è il tempo in ogni stagione? (Hoe is het weer in elk seizoen?)
  3. Quali mesi ci sono in ogni stagione? (Welke maanden horen bij elk seizoen?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten