Esercizio: Gespreksoefening
Istruzione:
- Riesci a nominare le stagioni e i mesi? (Kun je de seizoenen en maanden noemen?)
- Com'è il tempo in ogni stagione? (Hoe is het weer in elk seizoen?)
- Quali mesi ci sono in ogni stagione? (Welke maanden horen bij elk seizoen?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten