Bijwoorden van frequentie: sempre, spesso, mai

Gli avverbi di frequenza: sempre, spesso, mai


Gli avverbi di frequenza indicano ogni quanto succede qualcosa.

(Frequentiebijwoorden geven aan hoe vaak iets gebeurt.)

Wat druk je uit met bijwoorden van frequentie?

Je gebruikt deze woorden om te zeggen hoe vaak je iets doet.

Frequentie Italiaans Handige NL-betekenis
100% sempre altijd
Heel vaak di solito / spesso meestal / vaak
Soms qualche volta / ogni tanto af en toe
Bijna nooit raramente / quasi mai zelden / bijna nooit
0% mai nooit

Basisregel: waar zet je het bijwoord?

  • Meestal staat het bijwoord na de persoonsvorm (het vervoegde werkwoord).
Goed Niet doen

Gioco spesso a tennis.

Gioco a tennis spesso. (kan soms, maar in A1: kies de veilige plek na het werkwoord)

Faccio sempre esercizio.

Sempre faccio esercizio.

Twee uitzonderingen: “di solito” en “ogni …”

  • Di solito staat vaak aan het begin van de zin.
  • Uitdrukkingen met ogni (bv. ogni giorno) staan ook vaak aan het begin.
Structuur Voorbeeld
Di solito + zin

Di solito vinco le partite.

Ogni giorno + zin

Ogni giorno vado in palestra.

Praktische tip: als je twijfelt, zet spesso/sempre/raramente gewoon na het werkwoord. Zet di solito en ogni giorno liever vooraan.

Let op met “mai”: altijd met ontkenning

  • In het Italiaans zeg je nooit alleen mai in een normale mededeling.
  • Je gebruikt non + werkwoord + mai.
Goed Fout

Non nuoto mai.

Nuoto mai.

Non gioco a tennis quasi mai.

Gioco a tennis quasi mai.

Mini-checklist (zelfcontrole)

  1. Wil ik “hoe vaak?” zeggen? Kies één woord: sempre / spesso / qualche volta / raramente / mai.
  2. Is het di solito of ogni …? Zet het voorin.
  3. Anders: zet het bijwoord na het werkwoord.
  4. Gebruik ik mai (of quasi mai)? Zet er non bij: non + verbo + mai.

Snelle bouwstenen voor gesprek (sport & routine)

  • Mi alleno spesso. (Ik train vaak.)
  • Di solito vado in palestra dopo il lavoro. (Meestal ga ik na het werk naar de sportschool.)
  • Vado qualche volta in piscina. (Ik ga soms naar het zwembad.)
  • Non corro mai la mattina. (Ik ren ’s ochtends nooit.)
  1. Het bijwoord komt na het werkwoord, behalve "di solito" en de bijwoorden die beginnen met "ogni".
  2. Met "mai" is het verplicht om de ontkenning te gebruiken.
Avverbio (Bijwoord)Esempio (Voorbeeld)
Sempre/Ogni giorno

Faccio sempre esercizio. (Ik doe altijd oefeningen.)

Ogni giorno vado in palestra. (Elke dag ga ik naar de sportschool.)

Di solitoDi solito vinco le partite. (Meestal win ik de wedstrijden.)
SpessoGioco spesso a tennis. (Ik tennis vaak.)
Qualche volta / Ogni tanto

Vado qualche volta in palestra. (Ik ga soms naar de sportschool.)

Ogni tanto faccio nuoto. (Af en toe ga ik zwemmen.)

Raramente / Quasi mai

Faccio sport raramente. (Ik sport zelden.)

Non gioco a tennis quasi mai. (Ik tennis bijna nooit.)

MaiNon nuoto mai. (Ik zwem nooit.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. In questo periodo fai ___ esercizio dopo il lavoro.

In deze periode doe je ___ oefeningen na het werk.

2. Dopo l'ufficio vado ___ in palestra con i colleghi.

Na kantoor ga ik ___ met collega's naar de sportschool.

3. Non faccio ___ ciclismo perché non ho la bicicletta.

Ik fiets ___ omdat ik geen fiets heb.

4. ___ il sabato nuoto in piscina e ogni tanto faccio anche palestra.

___ zwem ik op zaterdag in het zwembad en af en toe ga ik ook naar de sportschool.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door het aangegeven frequentie-adverbium tussen haakjes toe te voegen en het op de juiste plaats in de zin te zetten. (Voorbeeld: Mangio la frutta. (sempre) → Ik eet altijd fruit.)

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (sempre) Vado in palestra.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Vado sempre in palestra.
    (Ik ga altijd naar de sportschool.)
  2. Hint Hint (di solito) Corro al parco.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Di solito corro al parco.
    (Meestal ren ik in het park.)
  3. Hint Hint (spesso) Faccio yoga la sera.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Spesso faccio yoga la sera.
    (Vaak doe ik 's avonds yoga.)
  4. Hint Hint (qualche volta) Gioco a calcetto con i colleghi.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Qualche volta gioco a calcetto con i colleghi.
    (Soms speel ik zaalvoetbal met mijn collega's.)
  5. Hint Hint (raramente) Dopo il lavoro faccio sport.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Raramente faccio sport dopo il lavoro.
    (Zelden doe ik aan sport na het werk.)
  6. Hint Hint (mai (usa anche la negazione 'non')) Vado in piscina.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Non vado mai in piscina.
    (Ik ga nooit naar het zwembad.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Interview elkaar en vergelijk hoe vaak jullie sport doen en welke activiteiten jullie prefereren.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Dopo il lavoro, parli con un collega delle vostre abitudini sportive.
(Na het werk praat je met een collega over jullie sportgewoonten.)

Bespreek
  • Che sport fai di solito dopo il lavoro o nel weekend? (Welke sport doe je meestal na het werk of in het weekend?)
  • Ti alleni in palestra o all’aperto? Ogni quanto vai? Perché? (Train je in de sportschool of buiten? Hoe vaak ga je? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Vado spesso in palestra. (Ik ga vaak naar de sportschool.)
  • Faccio sempre esercizio il mattino. (Ik doe ’s ochtends altijd oefeningen.)
  • Non nuoto mai, ma vado spesso in bicicletta. (Ik zwem nooit, maar ik ga vaak fietsen.)

Gebruik in gesprek
  • Usa sempre / spesso / mai con i verbi di sport (Gebruik altijd / vaak / nooit met sportwerkwoorden)
  • Posizione dell’avverbio: faccio sempre, mi alleno spesso, non nuoto mai (Plaats van het bijwoord: faccio sempre, mi alleno spesso, non nuoto mai)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 15/04/2026 23:16