Ascolta il video e scopri quali sono stati i nomi più diffusi in Italia nel 2016.
Luister naar de video en ontdek welke namen in Italië het meest voorkwamen in 2016.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.

Woord Vertaling
I nomi De namen
I nati De geboorten
I figli De kinderen
L'Italia Italië
Il “contanomi” è una classifica dell’ISTAT sui nomi usati in Italia. (De "namenlijst" is een ranglijst van ISTAT met de namen die in Italië worden gebruikt.)
Questa classifica mostra i nomi più scelti all’anagrafe per i figli. (Deze ranglijst toont de meest gekozen namen bij de burgerlijke stand voor kinderen.)
Sono i nomi che i genitori italiani scelgono di più per i bambini e le bambine. (Het zijn de namen die Italiaanse ouders het vaakst kiezen voor jongens en meisjes.)
Anche molti cittadini stranieri in Italia scelgono questi stessi nomi per i loro figli. (Ook veel buitenlandse inwoners in Italië kiezen dezezelfde namen voor hun kinderen.)
Per le femmine il nome più usato è sempre Sofia. (Voor meisjes is de meest gebruikte naam altijd Sofia.)
Per i maschi il nome Francesco non è più al primo posto. (Voor jongens staat Francesco niet langer op de eerste plaats.)
Adesso al primo posto per i maschi c’è il nome Adam. (Nu staat bij de jongens de naam Adam op nummer één.)
Francesco è ancora al primo posto in cinque regioni d’Italia, soprattutto nel Sud. (Francesco staat nog steeds op nummer één in vijf regio's van Italië, vooral in het zuiden.)
I nomi Alessandro e Leonardo salgono in classifica. (De namen Alessandro en Leonardo stijgen in de ranglijst.)
Leonardo passa dal quinto al terzo posto e diventa uno dei nomi più scelti. (Leonardo gaat van de vijfde naar de derde plaats en wordt een van de meest gekozen namen.)

Begripsvragen:

  1. Qual è il nome femminile più usato in Italia secondo il testo?

    (Wat is volgens de tekst de meest gebruikte meisjesnaam in Italië?)

  2. Qual è ora il nome maschile al primo posto nella classifica?

    (Welke jongensnaam staat nu op nummer één in de ranglijst?)

  3. In quale parte d’Italia il nome Francesco è ancora molto usato?

    (In welk deel van Italië wordt de naam Francesco nog veel gebruikt?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Nuovi vicini di casa

Nieuwe buren
1. Francesco: Buongiorno! Lei è la nuova vicina? (Goedendag! Bent u de nieuwe buurvrouw?)
2. Sofia: Buongiorno! Sì, mi chiamo Sofia Bianchi. E lei è il signor...? (Goedendag! Ja, ik ben Sofia Bianchi. En u bent meneer...?)
3. Francesco: Mi chiamo Francesco Conti. Ma possiamo darci del tu! (Ik ben Francesco Conti. Maar we kunnen elkaar tutoyeren!)
4. Sofia: Perfetto. Piacere di conoscerti, Francesco. (Prima. Aangenaam, Francesco.)
5. Francesco: Il piacere è mio, Sofia. Abiti al secondo piano, giusto? (Het genoegen is helemaal aan mijn kant, Sofia. U woont op de tweede verdieping, toch?)
6. Sofia: Sì, accanto alla porta rossa. (Ja, naast de rode deur.)
7. Francesco: Perfetto! Se hai bisogno di qualcosa, suona pure. (Top! Als je iets nodig hebt, kun je gerust aanbellen.)
8. Sofia: Grazie mille, sei molto gentile! (Hartelijk dank, wat aardig van u!)

1. Dove si incontrano Francesco e Sofia?

(Waar ontmoeten Francesco en Sofia elkaar?)

2. Come si chiama la nuova vicina?

(Hoe heet de nieuwe buurvrouw?)

Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken

Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.

  1. È il suo primo giorno in un nuovo ufficio in Italia. Si presenta a un collega: cosa dice? (Dica il suo nome e cognome.)
    Het is zijn/haar eerste dag op een nieuw kantoor in Italië. Hij/zij stelt zich aan een collega voor: wat zegt hij/zij? (Noem zijn/haar voor- en achternaam.)

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. È a una riunione e incontra per la prima volta una donna più grande di lei. Come le chiede il nome e come la chiama in modo formale?
    Hij/zij is op een vergadering en ontmoet voor het eerst een oudere vrouw. Hoe vraagt hij/zij beleefd haar naam en hoe spreekt hij/zij haar formeel aan?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Conosce un vicino della sua età nel palazzo e vuole dargli del tu. Come si presenta e come chiede “Come ti chiami?”
    Hij/zij kent een buur van ongeveer dezelfde leeftijd in het gebouw en wil hem/haar met jij aanspreken. Hoe stelt hij/zij zich voor en hoe vraagt hij/zij: "Hoe heet je?"

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. È a un corso di italiano. Si presenta brevemente alla classe e all’insegnante: cosa dice di sé? (Nome, cognome e da dove viene.)
    Hij/zij volgt een Italiaanse cursus. Hij/zij stelt zich kort voor aan de klas en aan de docent: wat vertelt hij/zij over zichzelf? (Voornaam, achternaam en waar hij/zij vandaan komt.)

    __________________________________________________________________________________________________________