Leer de Italiaanse data zoals "il 25 aprile" en typische feestdagen als "Capodanno" en "Natale". Deze les helpt je belangrijke kalenderdata en feestuitdrukkingen correct te gebruiken.
Luister- en leesmateriaal
Oefen woordenschat in context met echte materialen.
Woordenschat (10) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Verdeel de woorden in twee categorieën: traditionele Italiaanse feestdagen en kalenderdata.
Feste tradizionali italiane
Date del calendario
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
Il calendario
De kalender
2
Pasquetta
Tweede Paasdag
3
La vacanza
De vakantie
4
Pasqua
Pasen
5
Decorare
Versieren
Esercizio 5: Gespreksoefening
Istruzione:
- Noem de naam van de feestdag en de datum. (Noem de naam van de feestdag en de datum ervan.)
- Wat zijn je plannen voor de feestdagen? Met wie ga je ze doorbrengen? (Wat zijn je plannen voor de feestdagen? Met wie ga je het doorbrengen?)
- Welke dag is het vandaag? (Welke dag is het vandaag?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Natale è il venticinque dicembre. Kerstmis is op vijfentwintig december. |
Le vacanze estive sono a luglio e agosto. Zomervakantie is in juli en augustus. |
Pasqua è sempre in un'altra data. Pasen valt altijd op een andere datum. |
Ho intenzione di festeggiare il Natale con la mia famiglia. Ik ben van plan om kerst met mijn familie te vieren. |
Festeggerò il Capodanno con i miei amici. Ik ga nieuwjaar vieren met mijn vrienden. |
Oggi è il quattordici febbraio 2025. Vandaag is het veertiende februari 2025. |
... |
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ogni anno noi ______ la casa per Natale.
(Elk jaar wij ______ het huis voor Kerstmis.)2. Il primo gennaio noi ______ l'albero di Capodanno.
(Op 1 januari wij ______ de nieuwjaarsboom.)3. In aprile noi sempre ______ la casa per Pasqua.
(In april wij altijd ______ het huis voor Pasen.)4. Durante le vacanze di Natale noi ______ il salotto con le luci.
(Tijdens de kerstvakantie wij ______ de woonkamer met lichtjes.)Oefening 8: Het huis voorbereiden voor Kerstmis
Instructie:
Werkwoordschema's
Decorare - Versieren
Presente
- io decoro
- tu decori
- lui/lei decora
- noi decoriamo
- voi decorate
- loro decorano
Festeggiare - Vieren
Presente
- io festeggio
- tu festeggi
- lui/lei festeggia
- noi festeggiamo
- voi festeggiate
- loro festeggiano
Raccogliere - Opruimen
Presente
- io raccolgo
- tu raccogli
- lui/lei raccoglie
- noi raccogliamo
- voi raccogliete
- loro raccolgono
Oefening 9: Come si forma la data?
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: Hoe wordt de datum gevormd?
Toon vertaling Toon antwoorden25 dicembre, 10 luglio, 1 ottobre, 1 gennaio, 5 maggio, 30 aprile, 25 aprile, 12 agosto
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Decorare versieren Delen Gekopieerd!
Presente
Italiaans | Nederlands |
---|---|
(io) decoro | ik versier |
(tu) decori | jij versiert |
(lui/lei) decora | hij/zij versiert |
(noi) decoriamo | wij versieren |
(voi) decorate | jullie versieren |
(loro) decorano | zij versieren |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Italiaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem gewoon vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Kalenderdata en feestdagen in het Italiaans
In deze les leer je hoe je kalenderdata en belangrijke feestdagen in het Italiaans uitdrukt. Je ontdekt hoe je data correct formuleert en hoe je over traditionele Italiaanse feestdagen praat. Deze kennis is essentieel voor dagelijkse gesprekken, plannen maken en het beter begrijpen van Italiaanse cultuur.
Belangrijke Italiaanse feestdagen
- Capodanno (Nieuwjaarsdag) - 1 januari, de start van het nieuwe jaar, met de wens Buon anno nuovo!
- Carnevale - meestal in februari, een kleurrijk en vrolijk feest
- Natale (Kerstmis) - 25 december, traditioneel gevierd met familie
- Pasqua (Pasen) en Pasquetta (Tweede Paasdag) - belangrijke feestdagen die variëren qua datum
Kalenderdata in het Italiaans
Data worden vaak uitgedrukt met het lidwoord en rangtelwoorden, zoals il primo gennaio (1 januari). Soms gebruikt men het getal en maand zonder lidwoord, vooral bij officiële of vaste data, bijvoorbeeld 25 aprile (nationale feestdag) en 31 dicembre (oudejaarsavond).
Voorbeelden van Italiaanse zinnen over data en feestdagen
- Il primo gennaio è Capodanno, Buon anno nuovo!
- Quando iniziano le vacanze? Sono il 15 agosto, la festa di Ferragosto.
- La Vigilia di Natale è il 24 dicembre, e il Natale è il 25 dicembre.
- A Pasqua andiamo a pranzo con la famiglia, e Pasquetta è il giorno dopo.
- Decoriamo la casa per il Carnevale il 10 febbraio ogni anno.
Structuren om data te vragen en te geven
Gebruik vragen zoals Quando è la riunione? (Wanneer is de vergadering?) met antwoorden als È il primo maggio. (Het is op 1 mei.) Hierbij komt het juiste gebruik van maanden, dagen van de week en telwoorden aan bod.
Belangrijke woordclusters
Splits de woorden in twee categorieën: feste tradizionali italiane (traditionele Italiaanse feestdagen) en date del calendario (kalenderdata). Voorbeelden zijn:
- Feste tradizionali italiane: Capodanno, Carnevale, Natale, Pasqua, Pasquetta
- Date del calendario: 1 gennaio, 25 aprile, 31 dicembre
Belangrijk grammaticaal punt: werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Van belang is de correcte vervoeging van werkwoorden zoals decorare (versieren), bijvoorbeeld noi decoriamo (wij versieren). Deze les geeft ook oefeningen om deze vervoegingen goed onder de knie te krijgen.
Opmerkingen over verschillen tussen Nederlands en Italiaans
In het Italiaans wordt bij het aangeven van een datum vaak het lidwoord gebruikt, bijvoorbeeld il primo maggio, terwijl in het Nederlands meestal zonder lidwoord gesproken wordt: '1 mei'. Ook in het benoemen van feestdagen gebruikt het Italiaans soms het lidwoord, zoals il Natale, terwijl het Nederlands gewoon 'Kerstmis' zegt zonder lidwoord. Verder zijn sommige feestdagen typisch Italiaans, zoals Ferragosto, die in Nederland geen equivalent kennen.
Enkele nuttige Italiaanse uitdrukkingen voor data:
- Quando è la riunione? – Wanneer is de vergadering?
- È il primo maggio. – Het is op 1 mei.
- La Festa della Repubblica è il 2 giugno. – De nationale feestdag is 2 juni.
- La Vigilia di Capodanno si celebra il 31 dicembre. – Oudejaarsavond wordt op 31 december gevierd.