Leer het gebruik van de Italiaanse partikels 'ci' en 'ce': 'ci' vervangt locaties zoals in 'ci vado' (ik ga ernaartoe) en 'ce' drukt bezit uit, bijvoorbeeld 'ce l'ho' (ik heb het). Ontdek praktische voorbeelden zoals 'ci metto la sedia' (ik zet de stoel daar) en 'ce l'ho' bij bezittingen.
- Ci vervangt een plaats en betekent "qui, lì" (plaats), zoals in ci sono / c’è.
- “Ce” geeft het bezit van iets aan.
Particella (Partikel) | Esempio (Voorbeeld) | |
---|---|---|
Ci | Domani vado a casa. (Morgen ga ik naar huis.) | Ci vado domani. (Er ga morgen heen.) |
Metto la sedia in cucina. (Ik zet de stoel in de keuken.) | Ci metto la sedia. (Er zet ik de stoel.) | |
Ce | Hai il passaporto? (Heb je het paspoort?) | Si, ce l'ho. (Ja, heb ik.) |
Hai la penna? (Heb je de pen?) | Si, ce l'ho. (Ja, heb ik.) |
Oefening 1: “Ci” vs “ce”
Instructie: Vul het juiste woord in.
Ci, ci, ce l'ho, non ce l'ho
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Domani vado in salotto. ___ trovo il divano nuovo.
(Morgen ga ik naar de woonkamer. ___ vind ik de nieuwe bank.)2. Hai la chiave della porta? Sì, ___ l'ho nella borsa.
(Heb je de sleutel van de deur? Ja, ___ heb ik hem in mijn tas.)3. Metto la lampada sul tavolo. ___ sta bene.
(Ik zet de lamp op de tafel. ___ staat er mooi.)4. Hai la sedia per la cucina? Sì, ___ l'ho.
(Heb je de stoel voor de keuken? Ja, ___ heb ik hem.)5. C’è un tappeto nel soggiorno. ___ cammino sopra ogni giorno.
(Er ligt een kleed in de woonkamer. ___ loop ik er elke dag overheen.)6. Quante sedie ___ sono in cucina? ___ ne sono quattro.
(Hoeveel stoelen ___ zijn er in de keuken? ___ zijn er vier.)