Geslacht en getal van zelfstandige naamwoorden

Genere e numero dei sostantivi


Il genere e numero dei nomi si vede nel finale e cambia con il plurale.

(Het geslacht en het getal van zelfstandige naamwoorden zie je aan het woord-einde en het verandert in het meervoud.)

Wat je hier leert: geslacht + meervoud (en het lidwoord)

In het Italiaans heeft elk zelfstandig naamwoord een geslacht (m/v) en een aantal (enkelvoud/meervoud).

Het lidwoord moet altijd meeveranderen met dat geslacht en aantal.

Stap 1 – Kijk naar het einde: -o, -a, -e

Einde (enkelvoud) Vaak Meervoud Voorbeeld
-o mannelijk -i il ragazzo → i ragazzi
-a vrouwelijk -e la ragazza → le ragazze
-e mannelijk óf vrouwelijk -i l’abitante → gli abitanti

Let op bij -e: je ziet aan de vorm niet of het woord mannelijk of vrouwelijk is. Dat leer je met het lidwoord: l’/il/lo (m) of la (v).

Stap 2 – Kies het juiste lidwoord (il / lo / l’ / la)

Het lidwoord is niet alleen “de/het”: je kiest ook op basis van de beginletters.

Enkelvoud Wanneer? Voorbeelden
il (m) meeste mannelijke woorden il ragazzo, il collega
lo (m) voor s + medeklinker, z (ook: gn, ps, x, y) lo studente, lo zaino
l’ (m/v) voor klinker l’amico, l’abitante
la (v) vrouwelijk (niet voor klinker) la ragazza, la nazione

Stap 3 – Meervoud: i / gli / le (en de spelling)

Meervoud Komt van Voorbeelden
i (m) meestal van il il ragazzo → i ragazzi
gli (m) van lo en l’ (m) lo studente → gli studenti
l’amico → gli amici
le (v) van la en l’ (v) la ragazza → le ragazze
la nazione → le nazioni

Spelling-check: in het Italiaans maakt het woord het meervoud, niet een “-s”. Dus cittàs bestaat niet.

Onveranderlijk: woorden op blijven hetzelfde in het meervoud: la città → le città.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze snel voorkomt)

  • Fout 1: lidwoord vergeten
    Parlo con studente italiano.
    Goed: Parlo con uno studente italiano.
  • Fout 2: il/lo door elkaar
    Il studente (kan niet).
    Goed: Lo studente.
  • Fout 3: meervoud lidwoord niet aanpassen
    i studenti van lo studente (niet logisch).
    Goed: lo studente → gli studenti.
  • Fout 4: -e = altijd vrouwelijk denken
    l’abitante is mannelijk: l’abitante → gli abitanti.

Uitzondering die je meteen herkent: een “m” wordt “v” in het meervoud

Sommige woorden veranderen niet alleen van uitgang, maar ook van geslacht.

il braccio (m) → le braccia (v)

  • Enkelvoud: il braccio stanco
  • Meervoud: le braccia stanche (dus ook het bijvoeglijk naamwoord wordt vrouwelijk meervoud)

Zelfcheck in 10 seconden

  1. Wat is het einde? -o / -a / -e / -à
  2. Wat is het geslacht? (bij -e: onthouden met het lidwoord)
  3. Begint het woord met klinker of met s+medeklinker / z?
  4. Kies het lidwoord: il/lo/l’/la → meervoud i/gli/le
  5. Maak het meervoud: -o→-i, -a→-e, -e→-i, -à→-à
  1. Er zijn mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden.
  2. Het lidwoord komt altijd overeen met het geslacht.
 Singolare (enkelvoud)Plurale (meervoud)
Maschile -o-iIl ragazzo (de jongen)I ragazzi (de jongens)
Femminile -a -eLa ragazza (het meisje)Le ragazze (de meisjes)
Maschile -e-iL'abitante (de inwoner)Gli abitanti (de inwoners)
Femminile -e -iLa nazione (de natie)Le nazioni (de naties)

Uitzonderingen!

  1. Sommige meervouden zijn onregelmatig: il braccio wordt le braccia in het meervoud.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Lui è italiano, è di Roma, ma adesso vive in una città tedesca con molti ______.

Hij is Italiaan, hij komt uit Rome, maar nu woont hij in een Duitse stad met veel ______.

2. In ufficio abbiamo due colleghi francesi e tre ______ italiane.

Op kantoor hebben we twee Franse collega’s en drie ______ Italiaanse.

3. In classe ci sono molti studenti stranieri di ______ diverse.

In de klas zijn er veel buitenlandse studenten uit ______ verschillende.

4. Milano e Torino sono grandi ______ italiane.

Milaan en Turijn zijn grote ______ Italiaanse.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in het meervoud met het juiste lidwoord en zelfstandig naamwoord.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Il ragazzo è italiano.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    I ragazzi sono italiani.
    (De jongens zijn Italiaans.)
  2. La ragazza è spagnola.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Le ragazze sono spagnole.
    (De meisjes zijn Spaans.)
  3. Hint Hint (plurale) L'abitante è straniero.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Gli abitanti sono stranieri.
    (De inwoners zijn buitenlanders.)
  4. La nazione è piccola.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Le nazioni sono piccole.
    (De naties zijn klein.)
  5. Il collega è simpatico.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    I colleghi sono simpatici.
    (De collega’s zijn aardig.)
  6. Hint Hint (irregolare) Il braccio è stanco.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Le braccia sono stanche.
    (De armen zijn moe.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Ga in tweetallen staan, stel jezelf voor en zeg het land, de stad en de nationaliteit.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sei al primo giorno di corso di italiano e fai conoscenza con i compagni.
(Je bent op de eerste dag van de cursus Italiaans en je maakt kennis met je klasgenoten.)

Bespreek
  • Di dove sei? Da quale paese e da quale città vieni? (Waar kom je vandaan? Uit welk land en uit welke stad kom je?)
  • Qual è la capitale del tuo paese? È grande o piccola? Descrivila con sostantivi al plurale: abitanti, città vicine, eccetera.   (Wat is de hoofdstad van jouw land? Is ze groot of klein? Beschrijf haar met zelfstandige naamwoorden in het meervoud: inwoners, naburige steden, enzovoort. )

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Da dove vieni? / Di dove sei? (Waar kom je vandaan? / Waar ben je vandaan?)
  • Vivo in Italia / in Spagna / in Germania / in Francia (Ik woon in Italië / in Spanje / in Duitsland / in Frankrijk)
  • La capitale del mio paese è …; la mia città si chiama … (De hoofdstad van mijn land is …; mijn stad heet …)

Gebruik in gesprek
  • singolare e plurale dei sostantivi in -o, -a, -e (enkelvoud en meervoud van zelfstandige naamwoorden op -o, -a, -e)
  • accordo tra articolo e sostantivo (il, lo, la, l’, i, gli, le) (overeenstemming tussen lidwoord en zelfstandig naamwoord (il, lo, la, l’, i, gli, le))
  • sostantivi: paese, città, capitale, abitante, nazionalità (zelfstandige naamwoorden: land, stad, hoofdstad, inwoner, nationaliteit)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 17/04/2026 07:04