Il genere e numero dei nomi si vede nel finale e cambia con il plurale.

(Je ziet het geslacht en het getal van zelfstandige naamwoorden aan de uitgang, en die verandert in het meervoud.)

Wat leer je in dit hoofdstuk?

  • Je herkent mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het Italiaans.
  • Je vormt het meervoud van woorden op -o, -a en -e.
  • Je laat het lidwoord altijd mee veranderen met het zelfstandig naamwoord.
  • Je herkent een paar irreguliere meervouden (zoals il braccio → le braccia).

1. Mannelijk of vrouwelijk? Zo herken je het snel

In het Italiaans heeft elk zelfstandig naamwoord een geslacht: mannelijk (m.) of vrouwelijk (v.).

Meestal zie je het al aan de eindletter van het enkelvoud:

Enkelvoud Geslacht Voorbeeld Vertaling
-o bijna altijd mannelijk il ragazzo de jongen
-a bijna altijd vrouwelijk la ragazza het meisje / de jonge vrouw
-e mannelijk of vrouwelijk l’abitante (m.)
la nazione (v.)
de inwoner, de natie
  • Bij woorden op -e moet je het lidwoord leren mee uit je hoofd: l’abitante (m.), la nazione (v.).
  • Bij woorden op -o en -a is het geslacht meestal voorspelbaar.

2. Enkelfout → meervoud: drie basismodellen

Voor A1 hoef je vooral deze drie patronen te kennen:

Enkelvoud Meervoud Voorbeeld
mannelijk op -o -i il ragazzo → i ragazzi
vrouwelijk op -a -e la ragazza → le ragazze
mannelijk of vrouwelijk op -e -i l’abitante → gli abitanti
la nazione → le nazioni

Let op de combinatie: eindletter + lidwoord + meervoud.

  • il ragazzoi ragazzi (o → i, il → i)
  • la ragazzale ragazze (a → e, la → le)
  • l’abitante (m.) → gli abitanti (e → i, l’ → gli)
  • la nazione (v.) → le nazioni (e → i, la → le)

3. Lidwoorden: alles moet kloppen met geslacht én aantal

Het Italiaanse lidwoord past zich altijd aan aan:

  • het geslacht (m./v.)
  • het aantal (enkelvoud/meervoud)
  • en bij il/lo/l’, un/uno soms ook aan de beginletter van het woord.

3.1 Bepaalde lidwoorden in het enkelvoud

Mannelijk Vrouwelijk
Algemeen il + medeklinker
il ragazzo
la + medeklinker
la ragazza
Voor klinker (a, e, i, o, u) l’
l’amico
l’
l’amica
Bijzondere begincombinaties (m.) lo vóór:
z, s + medeklinker, gn, ps, pn, x, y
lo studente, lo zio
  • Controlevraag: begint het mannelijke woord met z, s + medeklinker, gn, ps, pn, x, y? → gebruik lo.
  • Anders: mannelijke medeklinker → il; vrouwelijke medeklinker → la; voor klinker → l’.

3.2 Bepaalde lidwoorden in het meervoud

Mannelijk meervoud Vrouwelijk meervoud
Algemeen i
i ragazzi
le
le ragazze
Voor klinker gli
gli amici
le
le amiche
Voor z, s+medeklinker, gn, ps, pn, x, y (m.) gli
gli studenti, gli zii
  • Als het enkelvoud lo of l’ (m.) heeft, wordt het meervoud bijna altijd gli.
  • Als het enkelvoud il heeft, wordt het meervoud i.
  • Alle vrouwelijke meervouden krijgen le.

3.3 Onbepaalde lidwoorden (een, een paar)

Onbepaalde lidwoorden hebben alleen een enkelvoud in het Italiaans. Voor meervoud gebruik je meestal géén onbepaald lidwoord.

Mannelijk Vrouwelijk
Algemeen un + medeklinker of klinker
un collega, un amico
una + medeklinker
una ragazza
Bijzondere begincombinaties (m.) uno vóór:
z, s + medeklinker, gn, ps, pn, x, y
uno studente, uno zio
Voor klinker (v.) un’ + klinker
un’amica, un’università
  • Denk: un / uno werkt ongeveer als il / lo (zelfde beginregels).
  • una wordt un’ vóór een klinker.

4. Alles laten meekloppen: een mini-checklist

Bij elk Italiaans zelfstandig naamwoord controleer je stap voor stap:

  1. Is het enkelvoud of meervoud?
    ragazzo (enk.) → ragazzi (mv.)
  2. Is het mannelijk of vrouwelijk?
    Kijk naar de eindletter of leer het lidwoord mee uit je hoofd.
  3. Kies het juiste lidwoord bij geslacht, aantal en beginletter:
    il ragazzo, i ragazzi, la ragazza, le ragazze, lo studente, gli studenti.

Een paar typische fouten (let op):

  • il studentigli studenti
  • lo ragazzii ragazzi
  • le ragazzoil ragazzo (enkelvoud, mannelijk)
  • un universitàun’università

5. Irreguliere meervouden: alleen wat jij nu moet kennen

Voor A1 hoef je nog maar een paar onregelmatige vormen te herkennen. In dit hoofdstuk vooral:

Enkelvoud Meervoud Opmerking
il braccio le braccia betekent (meestal) “armen” van het lichaam

Belangrijk voor nu: onthoud deze vorm gewoon als woordpaar, zoals een woordje uit je woordenlijst.

6. Stap-voor-stap: zelf controleren of een zin klopt

Gebruik dit stappenplan als je twijfelt. Neem bv. de zin:

___ studente è in aula.

  1. Zoek het zelfstandig naamwoord:
    studente.
  2. Bepaal geslacht en aantal:
    studente is mannelijk enkelvoud.
  3. Kijk naar de beginletter:
    st = s + medeklinker → speciale vorm.
  4. Kies het goede lidwoord:
    • Onbepaald (een): uno studente.
    • Bepaald (de): lo studente.
  5. Maak de zin af:
    Uno studente è in aula. of Lo studente è in aula.

7. Zelfcheck: beheers ik dit al?

Beantwoord voor jezelf deze vragen. Als je alles met “ja” kunt beantwoorden, zit je goed.

  • Kan ik bij ragazzo, ragazza, abitante, nazione het meervoud en het lidwoord correct maken?
  • Kan ik uitleggen wanneer ik il, lo, la, l’, i, gli, le gebruik?
  • Weet ik wanneer ik un, uno, una, un’ moet gebruiken?
  • Herken ik dat il braccio → le braccia een onregelmatig meervoud is?
  • Kan ik over mijn land, stad en nationaliteit praten met correcte enkelvoud/meervoud-vormen (bv. abitante, città, nazionalità)?

Als het antwoord ergens nog “nee” is, kies dan een paar woorden en oefen gericht:

  • Maak eerst de enkelvoud + lidwoord.
  • Vorm daarna het meervoud + lidwoord.
  • Lees je zinnen hardop: hoor je het verschil il / i, lo / gli, la / le?

Zo bouw je stap voor stap een stevig gevoel op voor geslacht, meervoud en lidwoorden in het Italiaans.

  1. Er zijn mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden.
  2. Het lidwoord komt altijd overeen met het geslacht.
 Singolare (Enkelvoud)Plurale (Meervoud)
Maschile -o-iIl ragazzoI ragazzi
Femminile -a -eLa ragazzaLe ragazze
Maschile -e-iL'abitanteGli abitanti
Femminile -e -iLa nazioneLe nazioni

Uitzonderingen!

  1. Sommige meervouden zijn onregelmatig: il braccio wordt le braccia in het meervoud.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Lui è italiano, è di Roma, ma adesso vive in una città tedesca con molti ______.

Hij is Italiaan, hij komt uit Rome, maar woont nu in een Duitse stad met veel ______.)

2. In ufficio abbiamo due colleghi francesi e tre ______ italiane.

Op kantoor hebben we twee Franse collega’s en drie ______ Italiaanse.)

3. In classe ci sono molti studenti stranieri di ______ diverse.

In de klas zijn veel buitenlandse studenten uit ______ verschillende.)

4. Milano e Torino sono grandi ______ italiane.

Milaan en Turijn zijn grote ______ Italiaanse.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen in het meervoud met het juiste lidwoord en zelfstandig naamwoord.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Il ragazzo è italiano.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    I ragazzi sono italiani.
    (I ragazzi sono italiani.)
  2. La ragazza è spagnola.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Le ragazze sono spagnole.
    (Le ragazze sono spagnole.)
  3. Hint Hint (plurale) L'abitante è straniero.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Gli abitanti sono stranieri.
    (Gli abitanti sono stranieri.)
  4. La nazione è piccola.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Le nazioni sono piccole.
    (Le nazioni sono piccole.)
  5. Il collega è simpatico.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    I colleghi sono simpatici.
    (I colleghi sono simpatici.)
  6. Hint Hint (irregolare) Il braccio è stanco.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Le braccia sono stanche.
    (Le braccia sono stanche.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Ga in tweetallen staan, stel jezelf voor en zeg het land, de stad en de nationaliteit.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sei al primo giorno di corso di italiano e fai conoscenza con i compagni.
(Je bent op de eerste dag van de Italiaanse cursus en maakt kennis met je medecursisten.)

Bespreek
  • Di dove sei? Da quale paese e da quale città vieni? (Waar kom je vandaan? Uit welk land en uit welke stad kom je?)
  • Qual è la capitale del tuo paese? È grande o piccola? Descrivila con sostantivi al plurale: abitanti, città vicine, eccetera.   (Wat is de hoofdstad van jouw land? Is die groot of klein? Beschrijf haar met zelfstandige naamwoorden in het meervoud: inwoners, naburige steden, enzovoort.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Da dove vieni? / Di dove sei? (Da dove vieni? / Di dove sei?)
  • Vivo in Italia / in Spagna / in Germania / in Francia (Vivo in Italia / in Spagna / in Germania / in Francia)
  • La capitale del mio paese è …; la mia città si chiama … (La capitale del mio paese è …; la mia città si chiama …)

Gebruik in gesprek
  • singolare e plurale dei sostantivi in -o, -a, -e (enkelvoud en meervoud van zelfstandige naamwoorden eindigend op -o, -a, -e)
  • accordo tra articolo e sostantivo (il, lo, la, l’, i, gli, le) (overeenstemming tussen lidwoord en zelfstandig naamwoord (il, lo, la, l’, i, gli, le))
  • sostantivi: paese, città, capitale, abitante, nazionalità (zelfstandige naamwoorden: paese, città, capitale, abitante, nazionalità)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 16:49