Impara gli interrogativi in italiano.
(Leer de vragende woorden in het Italiaans.)
- Sommige vragende woorden komen overeen met het geslacht en/of het aantal van het zelfstandig naamwoord.
| Interrogativo (Vraagwoord) | Esempio (Voorbeeld) |
|---|---|
| Che? | Che ingrediente vuoi? (Welk ingrediënt wil je?) |
| Quale? /Quali? | Quale tè preferisci? (Welke thee heb je liever?) Quali spezie usi? (Welke kruiden gebruik je?) |
| Chi? | Chi cucina oggi? (Wie kookt er vandaag?) |
| Che cosa? | Che cosa mangi a cena? (Wat eet je als avondeten?) |
| Quando? | Quando ti svegli per fare colazione? (Wanneer word je wakker om te ontbijten?) |
| Dove? | Dove vai dopo cena? (Waar ga je heen na het avondeten?) |
| Come? | Come si fa la pizza? (Hoe maak je pizza?) |
| Perché? | Perché cucini con il burro? (Waarom kook je met boter?) |
| Come mai? | Come mai sei in ritardo? (Hoe komt het dat je te laat bent?) |
| Quanto/a? / Quanti/e? | Quanta farina serve per la ricetta? (Hoeveel bloem is er nodig voor het recept?) Per quante persone cuciniamo? (Voor hoeveel personen koken we?) |
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Scusa, ___ chiedi al direttore nella riunione di domani?
Sorry, ___ vraag je de directeur tijdens de vergadering van morgen?)2. ___ caffè prendi, quello normale o quello decaffeinato?
___ koffie neem je, de gewone of de cafeïnevrije?)3. ___ persone ci sono oggi alla riunione di progetto?
___ mensen zijn er vandaag bij de projectvergadering?)4. Mi scusi, ___ va questo autobus per il centro?
Pardon, ___ gaat deze bus naar het centrum?)Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen door ze te veranderen in een vraag met het juiste vraagwoord (wat, welk/welke, wie, wanneer, waar, hoe, waarom, hoeveel).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleQuale tè preferisce?(Welke thee geeft hij de voorkeur?)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleQuando mangiamo la pizza stasera?(Wanneer eten we vanavond pizza?)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleChi cucina la pasta?(Wie kookt de pasta?)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleQuanti caffè bevono al bar?(Hoeveel koffie drinken ze in het café?)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDove studi l’italiano?(Waar studeer je Italiaans?)
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: In paren vraagt de ene om informatie; de ander antwoordt en verduidelijkt.
- Quale corso preferisci e perché? (Welke cursus heeft jouw voorkeur en waarom?)
- Che cosa vuoi sapere prima: prezzo, orario o luogo? Perché?','Quando e dove puoi frequentare il corso? Spiega.','Quanto tempo puoi studiare ogni settimana? Spiega la tua scelta. (Wat wil je eerst weten: prijs, tijdstip of locatie? Waarom?)
- Ho una domanda: che cosa include il corso? (Ik heb een vraag: wat is bij de cursus inbegrepen?)
- Quale orario è disponibile? Può ripetere, per favore? (Welke tijden zijn er beschikbaar? Kunt u dat alstublieft herhalen?)
- Dove si svolge il corso e quanto costa al mese? (Waar wordt de cursus gegeven en hoeveel kost hij per maand?)
- Che cosa...? / Cosa...? (Wat...?)
- Quale...? / Quali...? (Welke...?)
- Quando...? / Dove...? / Quanto...? (Wanneer...? / Waar...? / Hoeveel...?)