A1.6 - Je leeftijd zeggen - Oefeningen
Haal je boekOefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon antwoordenOefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 3:
Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Perché la donna organizza la festa?
2. Quale informazione personale dà Marco, oltre al nome?
Oefening 4: Werkwoordsvervoegingen
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. In Italia molti giovani ___ il compleanno con una grande festa.
(In Italië ___ veel jongeren hun verjaardag met een groot feest.)2. Quando ___ 30 anni, organizzi una festa speciale con gli amici?
(Wanneer je ___ wordt, organiseer je dan een speciaal feest met vrienden?)3. Quanto spesso ___ il tuo compleanno con i colleghi di lavoro?
(Hoe vaak ___ je je verjaardag met je collega's van het werk?)
Oefening 5:
Dialoogbegrip
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Nuovo collega in ufficio
Marco, nuovo collega: Show Ciao, sono Marco, piacere.
(Hoi, ik ben Marco, aangenaam.)
Elena, collega italiana: Show Ciao Marco, piacere. Io sono Elena. Quanti anni hai?
(Hoi Marco, aangenaam. Ik ben Elena. Hoe oud ben je?)
Marco, nuovo collega: Show Ho trentadue anni. E tu?
(Ik ben tweeëndertig jaar. En jij?)
Elena, collega italiana: Show Io ho ventotto anni. Il mio compleanno è a maggio.
(Ik ben achtentwintig jaar. Mijn verjaardag is in mei.)
Open vragen:
1. Quanti anni hanno Marco ed Elena?
Hoe oud zijn Marco en Elena?
Oefening 6: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Sei a una piccola festa di compleanno in ufficio per una collega. Parli con un collega nuovo e vuoi chiedere la sua età in modo gentile. Fai una domanda semplice. (Usa: "Quanti anni hai?", "Buon compleanno!", "Auguri!")
(Je bent op een klein verjaardagsfeestje op kantoor voor een collega. Je praat met een nieuwe collega en je wilt op een beleefde manier naar zijn/haar leeftijd vragen. Stel een eenvoudige vraag. (Gebruik: "Quanti anni hai?", "Buon compleanno!", "Auguri!"))Scusa, quanti
(Sorry, hoeveel ...)Voorbeeld:
Scusa, quanti anni hai?
(Sorry, hoeveel jaar ben je?)2. Conosci un vicino di casa italiano. Parlate davanti al portone e lui ti chiede: "Quanti anni hai?". Rispondi dicendo la tua età. (Usa: "Ho ... anni", "giovane", "anziano")
(Je leert een Italiaanse buur kennen. Jullie praten bij de voordeur en hij vraagt je: "Quanti anni hai?". Antwoord door je leeftijd te zeggen. (Gebruik: "Ho ... anni", "giovane", "anziano"))Ho
(Ik ben ...)Voorbeeld:
Ho trentacinque anni.
(Ik ben vijfendertig jaar.)