A1.43 - Vragen naar en geven van de weg
Chiedere e dare indicazioni
1. Taalonderdompeling
A1.43.1 Activiteit
Verdwalen in een nieuwe stad
3. Grammatica
A1.43.2 Grammatica
Plaatsuitdrukkingen: a destra, vicino a, ...
Belangrijk werkwoord
Ritornare (terugkeren)
Belangrijk werkwoord
Trovare (vinden)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Cartina del centro di Firenze
Woorden om te gebruiken: Mi, piazza, stazione, rotonda, dritto, centro, sinistra, parco, autobus
(Plattegrond van het centrum van Florence)
Benvenuto a Firenze! Questa è una breve guida per arrivare in dalla . Esci dalla stazione e vai sempre per dieci minuti. Alla prima gira a . Dopo la rotonda c’è un grande sulla destra. Vicino al parco trovi una fermata dell’ .
Continua dritto fino alla principale. In piazza c’è l’ufficio informazioni turistiche, di fronte alla chiesa. Qui puoi chiedere: “ scusi, dov’è il Duomo?” oppure “C’è una farmacia vicino a qui?”. Per ritornare alla stazione, vai dritto verso il parco, gira a destra alla rotonda e poi ancora sempre dritto fino all’ingresso della stazione.Welkom in Florence! Dit is een korte gids om vanaf het station naar het centrum te lopen. Verlaat het station en loop tien minuten rechtdoor. Bij de eerste rotonde sla je linksaf. Na de rotonde zie je aan de rechterkant een groot park. Dichtbij het park vind je een bushalte.
Loop rechtdoor tot je bij het hoofdplein komt. Op het plein bevindt zich het toeristeninformatiepunt, tegenover de kerk. Hier kun je vragen: “Pardon, waar is de Duomo?” of “Is er hier een apotheek in de buurt?” Om terug te gaan naar het station, loop je rechtdoor richting het park, sla je bij de rotonde rechtsaf en loop je vervolgens rechtdoor tot de ingang van het station.
-
Da dove parte il percorso per arrivare in centro?
(Waar begint de route naar het centrum?)
-
Che cosa trovi vicino al parco?
(Wat vind je vlakbij het park?)
-
Che cosa chiedi all’ufficio informazioni turistiche se cerchi un edificio famoso?
(Wat vraag je bij het toeristeninformatiepunt als je naar een bekend gebouw zoekt?)
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ieri non ___ trovato il museo, allora ___ ritornato in albergo.
(Gisteren niet ___ het museum gevonden, dus ___ ik teruggegaan naar het hotel.)2. Scusi, sa dove ___ trovato un taxi vicino alla stazione ieri sera?
(Pardon, weet u waar ___ een taxi bij het station gisteravond gevonden heeft?)3. Dopo il lavoro ___ sempre a casa passando dal parco al centro.
(Na het werk ___ ik altijd via het park naar huis richting het centrum.)4. Ieri sera ___ ritornati a piedi perché non ___ trovato l'autobus per il centro.
(Gisteravond ___ lopend teruggegaan omdat we de bus naar het centrum niet ___ gevonden.)Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Chiedere il parco vicino all’hotel
Viaggiatore: Show Mi scusi, dov’è il parco più vicino?
(Pardon, waar is het dichtstbijzijnde park?)
Passante: Show È vicino, vada sempre dritto fino alla rotonda.
(Het is dichtbij. Loop rechtdoor tot de rotonde.)
Passante: Show Alla rotonda giri a sinistra e il parco è dietro la grande piazza.
(Neem bij de rotonde de linkerafslag; het park ligt achter het grote plein.)
Viaggiatore: Show Perfetto, grazie, così posso trovare il parco e poi ritornare in hotel.
(Perfect, dank u — zo kan ik het park vinden en daarna terugkeren naar het hotel.)
Open vragen:
1. Dove vai nel dialogo? Il posto è vicino o lontano?
Waar ga je heen in de dialoog? Is de plek dichtbij of ver weg?
2. In che zona della tua città c’è un parco? Come ci vai di solito?
In welk deel van jouw stad is een park? Hoe ga je er meestal naartoe?
Trovare il centro storico dalla stazione
Turista: Show Mi scusi, per il centro come faccio ad andare da qui?
(Pardon, hoe kom ik vanaf hier naar het centrum?)
Impiegata del bar: Show È facile, esca dalla stazione e vada sempre dritto per dieci minuti.
(Het is makkelijk: verlaat het station en loop ongeveer tien minuten rechtdoor.)
Impiegata del bar: Show Alla grande piazza principale vedrà il Comune, dietro c’è il vero centro storico.
(Bij het grote plein zie je het stadhuis; daarachter ligt het echte historische centrum.)
Turista: Show Perfetto, così non mi perdo e posso ritornare alla stazione dopo, grazie mille.
(Perfect, zo raak ik niet verdwaald en kan ik later terug naar het station. Heel hartelijk bedankt.)
Open vragen:
1. Come vai al centro nel dialogo: sempre dritto o con molte svolte?
Hoe ga je naar het centrum in de dialoog: altijd rechtdoor of met veel bochten?
2. Quando viaggi, chiedi spesso indicazioni o usi il telefono?
Wanneer je reist, vraag je vaak de weg of gebruik je je telefoon?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Sei a Roma per lavoro. Devi andare a “la piazza” dove hai un meeting in un ufficio, ma non trovi la strada. Fermi una persona per strada e chiedi indicazioni. (Usa: Mi scusi, la piazza..., dov’è, vicino / lontano)
(Je bent in Rome voor werk. Je moet naar "la piazza", waar je een vergadering hebt in een kantoor, maar je vindt de weg niet. Houd iemand op straat aan en vraag om aanwijzingen. (Gebruik: Mi scusi, la piazza..., dov’è, vicino / lontano))Mi scusi, la piazza
(Mi scusi, la piazza ...)Voorbeeld:
Mi scusi, la piazza Barberini dov’è? È vicino o è lontano?
(Mi scusi, la piazza Barberini dov’è? È vicino o è lontano?)2. Un collega viene a trovarti in centro città per una riunione. Ti chiama e chiede: “Dov’è il tuo ufficio?”. Spiega dove si trova “il centro” in modo semplice. (Usa: il centro, vicino a..., sempre dritto)
(Een collega komt je in het stadscentrum opzoeken voor een vergadering. Hij belt en vraagt: “Dov’è il tuo ufficio?”. Leg op een eenvoudige manier uit waar “il centro” zich bevindt. (Gebruik: il centro, vicino a..., sempre dritto))Il centro è
(Il centro è ...)Voorbeeld:
Il centro è vicino alla stazione. Vai sempre dritto e vedi il mio ufficio sulla destra.
(Il centro è vicino alla stazione. Vai sempre dritto e vedi il mio ufficio sulla destra.)3. Una turista ferma te davanti al tuo palazzo. Ti chiede se c’è “il parco” per correre o fare una passeggiata. Spiega se esiste un parco lì vicino e come arrivare. (Usa: il parco, c’è..., dietro / vicino)
(Een toerist stopt je voor je gebouw. Hij vraagt of er een “il parco” is om te hardlopen of een wandeling te maken. Leg uit of er in de buurt een park is en hoe je er komt. (Gebruik: il parco, c’è..., dietro / vicino))Sì, il parco è
(Sì, il parco è ...)Voorbeeld:
Sì, il parco è vicino. È dietro la chiesa, vai sempre dritto e poi giri a sinistra.
(Sì, il parco è vicino. È dietro la chiesa: vai sempre dritto en dan linksaf.)4. Sei in macchina aziendale con un collega straniero. Lui guida e tu dai indicazioni per arrivare alla rotonda vicino al cliente. (Usa: la rotonda, sempre dritto, poi a destra / a sinistra)
(Je zit in een bedrijfsauto met een buitenlandse collega. Hij rijdt en jij geeft aanwijzingen om bij de rotonde bij de klant te komen. (Gebruik: la rotonda, sempre dritto, poi a destra / a sinistra))Vai sempre dritto,
(Vai sempre dritto, ...)Voorbeeld:
Vai sempre dritto, poi alla rotonda gira a destra. L’ufficio del cliente è lì vicino.
(Vai sempre dritto, poi alla rotonda gira a destra. L’ufficio del cliente è lì vicino.)Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen om een vriend uit te leggen hoe hij van jouw huis naar het centrum van jouw stad komt, gebruik eenvoudige richtingaanduidingen.
Nuttige uitdrukkingen:
Vai sempre dritto fino a… / Gira a destra a… / È vicino a… / C’è una piazza davanti a…
Esercizio 7: Gespreksoefening
Istruzione:
- Chiedere come arrivare a un edificio (Vragen hoe je naar een gebouw gaat.)
- Dai indicazioni agli altri. (Geef de anderen aanwijzingen.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
C'è una fermata dell'autobus qui vicino? Is er een bushalte in de buurt? |
|
Vai dritto e poi prendi la seconda strada a sinistra. Ga rechtdoor en neem dan de tweede straat links. |
|
La stazione ferroviaria è accanto al parco. Het treinstation is naast het park. |
|
Sai dov'è la scuola? Weet je waar de school is? |
|
Sì, devi solo andare dritto. Ja, je moet gewoon rechtdoor gaan. |
|
Conosci la strada per la piazza principale? Weet je de weg naar het hoofdplein? |
| ... |