1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (15)

La frutta

La frutta Show

Fruit Show

La verdura

La verdura Show

Groenten Show

La carrne

La carrne Show

Vlees Show

Il pesce

Il pesce Show

Vis Show

I biscotti

I biscotti Show

Koekjes Show

Il succo

Il succo Show

Sap Show

Il mercato

Il mercato Show

Markt Show

Il supermercato

Il supermercato Show

Supermarkt Show

La panetteria

La panetteria Show

Bakkerij Show

La lista della spesa

La lista della spesa Show

Boodschappenlijst Show

Il carrello della spesa

Il carrello della spesa Show

Winkelwagen Show

La cassa

La cassa Show

Kassa Show

Il cassiere

Il cassiere Show

Kassier Show

Fare la spesa

Fare la spesa Show

Boodschappen doen Show

Prendere

Prendere Show

Nemen Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

WhatsApp: Je ontvangt een WhatsApp-bericht van een vriend die in de supermarkt is en je vraagt wat hij voor jullie beiden moet kopen; antwoord met een boodschappenlijst en een vriendelijke vraag aan de kassier over een product.


Ciao!

Sono al supermercato adesso. Faccio la spesa per stasera.

Per la cena pensi carne o pesce? E che frutta e verdura vuoi?

Io prendo il pane e il latte. Manca ancora qualcosa per la colazione? Succo? Biscotti?

Scrivi una lista della spesa qui su WhatsApp, così non dimentico niente.

Andiamo insieme la prossima volta! 😊
Marco


Hoi!

Ik ben nu in de supermarkt. Ik doe boodschappen voor vanavond.

Voor het avondeten denk je aan vlees of vis? En welk fruit en welke groenten wil je?

Ik neem brood en melk. Ontbreekt er nog iets voor het ontbijt? Sap? Koekjes?

Schrijf een boodschappenlijst hier op WhatsApp, zodat ik niets vergeet.

Volgende keer gaan we samen! 😊
Marco


Begrijp de tekst:

  1. Che cosa sta facendo Marco adesso e dove si trova?

    (Wat doet Marco nu en waar is hij?)

  2. Che cosa chiede Marco a te per organizzare la spesa per la cena e la colazione?

    (Wat vraagt Marco aan jou om de boodschappen voor het avondeten en ontbijt te organiseren?)

Nuttige zinnen:

  1. Per favore prendi…

    (Neem alsjeblieft…)

  2. Mi servono anche…

    (Ik heb ook nog nodig…)

  3. Scusi, dove trovo…?

    (Pardon, waar vind ik…)

Ciao Marco,

grazie! Per la cena preferisco il pesce. Per favore prendi il pesce bianco e un po’ di verdura, per esempio insalata e pomodori.

Per la colazione mi servono anche biscotti e il succo di arancia. Se è possibile, prendi anche un po’ di frutta, per esempio mele.

Alla cassa puoi chiedere: «Scusi, dove trovo il formaggio?» se non lo vedi.

A dopo,
[Il tuo nome]

Hoi Marco,

bedankt! Voor het avondeten geef ik de voorkeur aan vis. Neem alsjeblieft witte vis en wat groenten, bijvoorbeeld sla en tomaten.

Voor het ontbijt heb ik ook nog koekjes en sinaasappelsap nodig. Als het kan, neem ook wat fruit, bijvoorbeeld appels.

Bij de kassa kun je vragen: "Pardon, waar vind ik de kaas?" als je die niet ziet.

Tot straks,
[Je naam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Scusa, hai preso il carrello della spesa? (Sorry, heb je het winkelwagentje gepakt?)
Scusi, dove trovo la lista della spesa? (Pardon, waar vind ik de boodschappenlijst?)
Andiamo al supermercato a fare la spesa? (Gaan we naar de supermarkt om boodschappen te doen?)
Alla cassa il cassiere prende i miei soldi. (Bij de kassa geeft de kassier mijn geld terug.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Scusi, dove ___ il carrello della spesa?

(Pardon, waar ___ ik de winkelwagen?)

2. Scusa, ___ tu la frutta e la verdura al mercato?

(Hé, ___ jij het fruit en de groente op de markt?)

3. Andiamo in panetteria e poi ___ il succo al supermercato.

(We gaan naar de bakker en daarna ___ we het sap bij de supermarkt.)

4. Scusi, ___ anche i biscotti o solo il pane?

(Pardon, ___ u ook de koekjes of alleen het brood?)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Sei a casa con il/La tuo/tua partner. Domani lavori tutto il giorno e non hai tempo per fare la spesa. Scrivi che cosa compri oggi per domani. (Usa: la lista della spesa, la frutta, l’acqua)

(Je bent thuis met je partner. Morgen werk je de hele dag en je hebt geen tijd om boodschappen te doen. Schrijf wat je vandaag koopt voor morgen. (Gebruik: de boodschappenlijst, het fruit, het water))

Nella lista della spesa  

(Op de boodschappenlijst ...)

Voorbeeld:

Nella lista della spesa ci sono la frutta, il pane, il latte e l’acqua.

(Op de boodschappenlijst staan het fruit, het brood, de melk en het water.)

2. Sei al supermercato con un collega. Volete comprare qualcosa di sano per il pranzo in ufficio. Dì cosa prendete. (Usa: la verdura, il pesce, prendere)

(Je bent in de supermarkt met een collega. Jullie willen iets gezonds kopen voor de lunch op kantoor. Zeg wat jullie nemen. (Gebruik: de groente, de vis, nemen))

Per pranzo prendiamo  

(Voor de lunch nemen we ...)

Voorbeeld:

Per pranzo prendiamo la verdura, un po’ di pesce e il pane.

(Voor de lunch nemen we groente, wat vis en brood.)

3. Sei alla panetteria vicino all’ufficio. Vuoi qualcosa di dolce per una pausa caffè con i colleghi. Chiedi alla commessa. (Usa: la panetteria, i biscotti, per favore)

(Je bent in de bakkerij bij het kantoor. Je wilt iets zoets voor een koffiepauze met collega’s. Vraag het aan de verkoopster. (Gebruik: de bakkerij, de koekjes, alstublieft))

Vorrei  

(Ik zou graag ... willen)

Voorbeeld:

Vorrei i biscotti, per favore, e anche un po’ di pane.

(Ik zou graag de koekjes willen, alstublieft, en ook wat brood.)

4. Sei al supermercato alla cassa. Il cassiere ti chiede se va bene così. Controlli il carrello e rispondi. (Usa: il carrello della spesa, il succo, la carne)

(Je staat bij de kassa in de supermarkt. De kassier vraagt of het zo goed is. Je controleert je kar en antwoordt. (Gebruik: de winkelwagen, het sap, het vlees))

Nel carrello della spesa  

(In de winkelwagen ...)

Voorbeeld:

Nel carrello della spesa ci sono la carne, il succo, la frutta e il pane, va bene così.

(In de winkelwagen liggen het vlees, het sap, het fruit en het brood. Ja, dat is goed zo.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over jouw boodschappenlijst voor deze week en waar je gewoonlijk boodschappen doet.

Nuttige uitdrukkingen:

Di solito faccio la spesa in… / Nella mia lista della spesa ci sono… / Mi piace comprare… / Non compro mai…

Esercizio 7: Gespreksoefening

Istruzione:

  1. Descrivi gli articoli nella lista della spesa. (Beschrijf de items op het boodschappenlijstje.)
  2. Chiedi all'assistente del negozio la posizione dei prodotti. (Vraag de winkelmedewerker naar de locatie van de producten.)
  3. Paga i tuoi prodotti alla cassa. (Betaal voor uw producten bij de kassa.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Dove si trova/si trovano...?

Waar is / zijn ...?

Potresti aiutarmi un momento, per favore?

Kunt u mij even helpen, alstublieft?

Potrei avere una ricevuta?

Mag ik een bonnetje?

Questo prodotto è in offerta?

Is dit product in de aanbieding?

Posso pagare in contanti / con la carta?

Kan ik contant betalen / met pinpas?

Hai una borsa?

Heb je een tas?

Il prezzo è corretto?

Is deze prijs correct?

Posso aiutarti?

Kan ik u helpen?

...