Sono aggettivi che indicano a chi appartiene qualcosa.
(Het zijn bijvoeglijke naamwoorden die aangeven aan wie iets toebehoort.)
- Bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden stemmen overeen met het geslacht en het getal van het zelfstandig naamwoord.
- Het lidwoord wordt vaak gebruikt: il mio libro.
| Persona (Persoon) | Singolare (Enkelvoud) | Plurale (Meervoud) |
|---|---|---|
| Io | Mio/Mia | Miei/Mie |
| Tu | Tuo/Tua | Tuoi/Tue |
| Lui/Lei | Suo/Sua | Suoi/Sue |
| Noi | Nostro/Nostra | Nostri/Nostre |
| Voi | Vostro/Vostra | Vostri/Vostre |
| Loro | Loro | Loro |
Uitzonderingen!
- Bij enkelvoudige familieleden laat je het lidwoord weg: mia madre.
- In sommige gevallen kan het bezittelijk bijvoeglijk naamwoord na het zelfstandig naamwoord staan: casa mia, amore mio!, colpa tua!.
Oefening 1: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. ___ moglie lavora in banca e io lavoro in una scuola di lingue.
___ vrouw werkt bij een bank en ik werk op een talenschool.)2. ___ genitori abitano a Roma o in un’altra città?
___ ouders wonen in Rome of in een andere stad?)3. ___ fratello è ingegnere e mia sorella è architetta.
___ broer is ingenieur en mijn zus is architecte.)4. ___ figli studiano all’università a Milano.
___ kinderen studeren aan de universiteit in Milaan.)Oefening 2: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met de juiste bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden (mijn/mijne/mijn, jouw/jou/jouw, zijn/haar/zijn/zijn, ons/onze/onze, jullie/jullie/jullie/jullie, hun). Let op: bij familieleden in het enkelvoud geen lidwoord gebruiken (bijv. mijn moeder).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleQuesto è il nostro computer.(Dit is onze computer.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleQueste sono le vostre email.(Dit zijn jullie e-mails.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleQuesto è il mio numero di telefono.(Dit is mijn telefoonnummer.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleLa loro casa è in centro.(Hun huis is in het centrum.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleQuesti sono i loro figli.(Dit zijn hun kinderen.)
Oefening 3: Grammatica in actie
Instructie: Praat met een collega: stel elkaars gezinnen voor en stel vragen.
- Chi è la persona più importante nella tua famiglia? Descrivila. (Wie is de belangrijkste persoon in jouw gezin? Beschrijf die persoon.)
- Hai fratelli o sorelle? Come sono i loro caratteri?','Racconta com’è una domenica tipica con la tua famiglia in Italia. (Heb je broers of zussen? Hoe zijn hun karakters?)
- Questa è la mia famiglia: mia madre, mio padre e i miei fratelli. (Dit is mijn gezin: mijn moeder, mijn vader en mijn broers.)
- Mio marito / Mia moglie lavora in Italia; i nostri figli sono qui. (Mijn man / Mijn vrouw werkt in Italië; onze kinderen zijn hier.)
- Mia nonna e mio nonno stanno bene; amo molto la mia famiglia. (Mijn grootmoeder en mijn grootvader maken het goed; ik hou heel veel van mijn gezin.)
- il mio / la mia / i miei / le mie (il mio / la mia / i miei / le mie)
- tuo / tua / tuoi / tue (tuo / tua / tuoi / tue)
- mia madre, mio padre, casa mia (mia madre, mio padre, casa mia)