2. Woordenschat (12)

Il microonde

Il microonde Show

De magnetron Show

Il forno

Il forno Show

De oven Show

Il fornello

Il fornello Show

Het fornuis Show

La lavastoviglie

La lavastoviglie Show

De vaatwasser Show

La lavatrice

La lavatrice Show

De wasmachine Show

Il ferro da stiro

Il ferro da stiro Show

Het strijkijzer Show

Il riscaldamento

Il riscaldamento Show

De verwarming Show

Il frigorifero

Il frigorifero Show

De koelkast Show

La televisione

La televisione Show

De televisie Show

Passare l'aspirapolvere

Passare l'aspirapolvere Show

Stofzuigen Show

Mettere

Mettere Show

Zetten/leggen/plaatsen Show

Usare

Usare Show

Gebruiken Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Mettere (zetten)

Belangrijk werkwoord

Usare (gebruiken)

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

WhatsApp: Je ontvangt een WhatsApp-bericht van de eigenaar van je appartement waarin hij vraagt hoe je de keuken- en huishoudapparaten gebruikt; reageer met een kort bericht.


Ciao,

sono Marco, il proprietario.

Ho visto che la bolletta è un po’ alta. Puoi dirmi come usi gli elettrodomestici in casa?

Per esempio:

  • usi spesso il forno o il microonde?
  • la lavatrice e la lavastoviglie le usi ogni giorno?
  • tieni sempre acceso il riscaldamento o la televisione?

Scrivimi brevemente, così capiamo come risparmiare.

Grazie, Marco


Hallo,

ik ben Marco, de eigenaar.

Ik heb gezien dat de energierekening vrij hoog is. Kun je me vertellen hoe je de huishoudelijke apparaten in huis gebruikt?

Bijvoorbeeld:

  • gebruik je vaak de oven of de magnetron?
  • gebruik je de wasmachine en de vaatwasser elke dag?
  • laat je de verwarming of de televisie altijd aan?

Schrijf me kort terug, zodat we kunnen kijken hoe we kunnen besparen.

Dank, Marco


Begrijp de tekst:

  1. Perché Marco scrive il messaggio al suo inquilino?

    (Waarom schrijft Marco het bericht naar zijn huurder?)

  2. Quali elettrodomestici chiede Marco se l’inquilino usa spesso?

    (Welke huishoudelijke apparaten vraagt Marco of de huurder vaak gebruikt?)

Nuttige zinnen:

  1. Ciao Marco,

    (Hallo Marco,)

  2. Di solito uso…

    (Meestal gebruik ik…)

  3. Non uso spesso…

    (Ik gebruik niet vaak…)

Ciao Marco,

grzie per il messaggio. Uso il forno solo una o due volte alla settimana, invece il microonde lo uso spesso. La lavatrice la uso due volte alla settimana e la lavastoviglie solo nel weekend. Il riscaldamento non è sempre acceso, solo la sera. La televisione è accesa normalmente due ore al giorno.

Cerco di usare gli elettrodomestici poco per risparmiare.

Saluti,
Anna

Hallo Marco,

bedankt voor het bericht. Ik gebruik de oven maar één of twee keer per week, terwijl ik de magnetron vaak gebruik. De wasmachine gebruik ik twee keer per week en de vaatwasser alleen in het weekend. De verwarming staat niet altijd aan, alleen 's avonds. De televisie staat doorgaans twee uur per dag aan.

Ik probeer de apparaten zo weinig mogelijk te gebruiken om te besparen.

Groeten,
Anna

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

La lavatrice è finita, stendo subito i vestiti. (De wasmachine is klaar, ik hang meteen de kleren op.)
Il frigorifero non chiude bene, chiamo rapidamente il tecnico. (De koelkast sluit niet goed, ik bel snel de monteur.)
Ieri ho messo i piatti subito nella lavastoviglie. (Gisteren heb ik de borden direct in de vaatwasser gezet.)
Di solito usiamo il microonde solo per scaldare velocemente. (Meestal gebruiken we de magnetron alleen om snel iets op te warmen.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ieri ___ ___ la lavatrice e ho controllato lentamente il programma.

(Gisteren ___ ___ de wasmachine aangezet en het programma rustig gecontroleerd.)

2. ___ ___ velocemente il microonde per preparare la cena.

(___ ___ snel de magnetron om het avondeten klaar te maken.)

3. Stamattina ___ ___ i piatti nella lavastoviglie e poi ho pulito accuratamente il forno.

(Vanmorgen ___ ___ de borden in de vaatwasser gezet en daarna de oven grondig schoongemaakt.)

4. Il mese scorso ___ ___ spesso il riscaldamento perché faceva incredibilmente freddo in casa.

(Vorige maand ___ ___ vaak de verwarming omdat het ontzettend koud in huis was.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Il riscaldamento in casa non funziona bene. Chiami il proprietario e spieghi il problema. (Usa: Il riscaldamento, non funziona, in casa fa freddo.)

(De verwarming in huis werkt niet goed. Bel de verhuurder en leg het probleem uit. (Gebruik: De verwarming, werkt niet, thuis is het koud.))

Il riscaldamento  

(De verwarming ...)

Voorbeeld:

Il riscaldamento non funziona, in casa fa freddo.

(De verwarming werkt niet, thuis is het koud.)

2. Hai amici a cena e la lavastoviglie è piena. Chiedi a un amico di aiutarti con i piatti. (Usa: La lavastoviglie, i piatti, puoi aiutarmi?)

(Je hebt vrienden op bezoek voor het eten en de vaatwasser is vol. Vraag een vriend om je te helpen met de afwas. (Gebruik: De vaatwasser, de afwas, kun je me helpen?))

La lavastoviglie  

(De vaatwasser ...)

Voorbeeld:

La lavastoviglie è piena, puoi aiutarmi con i piatti?

(De vaatwasser is vol, kun je me helpen met de afwas?)

3. Sei in un negozio di elettrodomestici. Vuoi comprare una lavatrice nuova e fai una domanda al commesso. (Usa: La lavatrice, piccola, l’appartamento.)

(Je bent in een witgoedwinkel. Je wilt een nieuwe wasmachine kopen en stelt een vraag aan de verkoper. (Gebruik: De wasmachine, klein, het appartement.))

Per la lavatrice  

(Voor de wasmachine ...)

Voorbeeld:

Per la lavatrice cerco un modello piccolo per il mio appartamento.

(Voor de wasmachine zoek ik een klein model voor mijn appartement.)

4. Stai pulendo casa e parli con il tuo partner del programma di pulizie. Spiega cosa fai tu adesso. (Usa: Passare l’aspirapolvere, il soggiorno, dopo.)

(Je bent het huis aan het schoonmaken en praat met je partner over het schoonmaakrooster. Leg uit wat jij nu doet. (Gebruik: Stofzuigen, de woonkamer, daarna.))

Adesso passo  

(Nu stofzuig ik ...)

Voorbeeld:

Adesso passo l’aspirapolvere in soggiorno, dopo tu pulisci la cucina.

(Nu stofzuig ik de woonkamer, daarna maak jij de keuken schoon.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen waarin je beschrijft hoe jij thuis elektrische apparaten gebruikt en wat je doet om energie te besparen.

Nuttige uitdrukkingen:

A casa mia uso spesso… / Di solito accendo… / Per risparmiare energia io… / Non uso mai… quando non è necessario.

Esercizio 7: Gespreksoefening

Istruzione:

  1. Nomina ciascun dispositivo e a cosa serve. (Noem elk apparaat en waar het voor wordt gebruikt.)
  2. Indica quali di questi dispositivi usi di solito. (Vertel welke van die apparaten je meestal gebruikt.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

C'è un forno in cucina.

Er is een oven in de keuken.

C'è un grande frigorifero in cucina.

Er is een grote koelkast in de keuken.

L'aspirapolvere viene usato per pulire.

De stofzuiger wordt gebruikt om schoon te maken.

Accendi il termosifone quando fa freddo.

Je zet de radiator aan wanneer het koud is.

Uso l'asciugatrice per asciugare i miei vestiti più velocemente.

Ik gebruik de droger om mijn kleren sneller te drogen.

Puoi mettere i tuoi vestiti nell'armadio.

Je kunt je kleren in de kledingkast leggen.

...