Impara formare e usare le preposizioni articolate.

(Leer hoe je de samengestelde voorzetsels vormt en gebruikt.)

Wat is een preposizione articolata?

In het Italiaans smelten sommige voorzetsels samen met het bepaald lidwoord (il, lo, la, l’, i, gli, le).

  • di + il → del (van/van het)
  • a + il → al (naar/aan het)
  • da + la → dalla (van/uit de)
  • in + i → nei (in de)
  • su + lo → sullo (op het)

Je gebruikt deze vormen vooral bij plaatsen en dingen: al lavoro, nel centro, sul tavolo.

Stappenplan: zo kies je snel de juiste vorm

  1. Kies het voorzetsel: di / a / da / in / su (betekenis in de zin).
  2. Kies het lidwoord bij het zelfstandig naamwoord: il/lo/la/l’ of i/gli/le.
  3. Voeg samen (zoals in de tabel): di+il = del, in+la = nella, su+i = sui, enz.

Welke lidwoordvorm heb je nodig? (il, lo, la, l’, i, gli, le)

De prepositie volgt altijd de lidwoordregels. Dit is meestal waar fouten ontstaan.

Vorm Wanneer? Voorbeelden
il mannelijk enkelvoud (meestal) il lago, il tavolo, il mercato
lo mannelijk enkelvoud: s+medeklinker, z, ps, gn, x, y lo studente, lo zaino, lo psicologo
l’ voor klinker (m/v enkelvoud) l’ufficio, l’amica
la vrouwelijk enkelvoud la macchina, la finestra, la sedia
i mannelijk meervoud van il-woorden i laghi, i tavoli
gli mannelijk meervoud van lo-woorden + woorden met klinker gli studenti, gli zaini, gli uffici
le vrouwelijk meervoud le macchine, le finestre

Betekenis in de praktijk: di, a, da, in, su

  • di = van/over: la casa dei miei amici (het huis van mijn vrienden)
  • a = naar/aan (bestemming): andiamo al mercato
  • da = van/uit (herkomst): prendo l’ombrello dalla macchina
  • in = in (plaats/locatie): nelle montagne, nel centro
  • su = op/op de: sul lago, sulla sedia

Tip: twijfel je tussen di en da? di gaat vaak over “van wie/waarvan”, da over “waar vandaan”.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • Niet los schrijven: su il lagosul lago
  • Let op lo/gli: al studenteallo studente
  • Let op l’: a l’ufficioall’ufficio
  • Meervoud goed kiezen: su i studenti kan, maar bij studenti is het standaard sugli studenti (want lo studentegli studenti).

Uitzonderingen die je echt moet kennen

  • per, tra, fra smelten niet samen met het lidwoord:
    • per il lavoro (niet: pel lavoro)
    • tra le riunioni, fra gli amici
  • con:
    • meestal: con + lidwoord loscon il collega, con la cliente, con gli amici
    • vaste (kortere) vormen komen voor met il en i: col, coi (bijv. collega is iets anders: dat betekent “collega”).

Snelle zelfcheck (30 seconden)

  1. Staat er een voorzetsel vóór een woord met il/lo/la/l’ of i/gli/le?
  2. Is het voorzetsel di/a/da/in/su? → dan wel samenvoegen.
  3. Is het per/tra/fra? → dan niet samenvoegen.
  4. Check één keer de lidwoordvorm (il vs lo, i vs gli). Dán pas kiezen: al/allo/all’, del/dello/dell’, nel/nello/nell’
  1. De samengestelde voorzetsels worden gevormd door een eenvoudig voorzetsel + een bepaald lidwoord samen te voegen.
  2. De voorzetsels "per, tra, fra" worden niet met het lidwoord samengevoegd en blijven onveranderd.
 IlL'LoLaIGliLe
Di (van)DelDell'DelloDellaDeiDegliDelle
A (naar)AlAll'AlloAllaAiAgliAlle
Da (van)DalDall'DalloDallaDaiDagliDalle
In (in)NelNell'NelloNellaNeiNegliNelle
Su (op)SulSull'SulloSullaSuiSugliSulle

Uitzonderingen!

  1. "Con" wordt alleen samengevoegd met "il, i": "col, coi".

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Guardo il meteo e vedo il sole che entra ___ finestra dell’ufficio, ma fuori, vicino al mare, c’è ancora una nuvola.

Ik kijk naar de weersvoorspelling en zie de zon die door ___ raam van het kantoor naar binnen schijnt, maar buiten, bij zee, is er nog een wolk.)

2. Qui a Milano il vento arriva ___ nord e soffia forte sulla città.

Hier in Milaan komt de wind ___ noorden en waait hij hard over de stad.)

3. Metto la giacca ___ sedia e poi esco un momento al sole.

Ik leg mijn jas ___ stoel en ga daarna even in de zon staan.)

4. D’inverno mi piace guardare la neve ___ tetti delle case in centro.

In de winter kijk ik graag naar de sneeuw ___ daken van de huizen in het centrum.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met de juiste samengestelde voorzetsel (del, dello, della, dei, degli, delle; al, allo, alla, ai, agli, alle; dal, dallo, dalla, dai, dagli, dalle; nel, nello, nella, nei, negli, nelle; sul, sullo, sulla, sui, sugli, sulle). Voorbeeld: Vado a il supermercato → Vado al supermercato.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (di il) Parlo di il tempo con i colleghi.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Parlo del tempo con i colleghi.
    (Parlo del tempo con i colleghi.)
  2. Hint Hint (a il) Domani vado a il lavoro in autobus.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Domani vado al lavoro in autobus.
    (Domani vado al lavoro in autobus.)
  3. Hint Hint (su il) Metto il computer su il tavolo.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Metto il computer sul tavolo.
    (Metto il computer sul tavolo.)
  4. Hint Hint (da la) Loro arrivano da la stazione alle otto.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Loro arrivano dalla stazione alle otto.
    (Loro arrivano dalla stazione alle otto.)
  5. Hint Hint (in il) Ci sono molte nuvole in il cielo di Roma oggi.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ci sono molte nuvole nel cielo di Roma oggi.
    (Ci sono molte nuvole nel cielo di Roma oggi.)
  6. Hint Hint (in la) Beviamo un caffè con i colleghi in la pausa.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Beviamo un caffè con i colleghi nella pausa.
    (Beviamo un caffè con i colleghi nella pausa.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Praat met een klasgenoot over het weer vandaag en volgende week.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sei in ufficio e fai small talk sul meteo con i colleghi.
(Je bent op kantoor en maakt smalltalk met collega’s over het weer.)

Bespreek
  • Com'è il tempo oggi nella tua città? Ti piace? Perché? (Hoe is het weer vandaag in jouw stad? Vind je het prettig? Waarom?)
  • Cosa fai quando c'è maltempo in città? Preferisci il sole o la pioggia? (Wat doe je als het slecht weer is in de stad? Heb je liever zon of regen?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Il bel tempo e il sole (Mooi weer en zon)
  • Il maltempo: pioggia, vento, neve (Slecht weer: regen, wind, sneeuw)
  • Oggi lavoro nell'ufficio senza sole (Vandaag werk ik op kantoor zonder zon)

Gebruik in gesprek
  • del, della, dei, delle (del, della, dei, delle)
  • nel, nella, nei, nelle (nel, nella, nei, nelle)
  • sul, sulla, sui, sulle (sul, sulla, sui, sulle)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 06/03/2026 00:55