Esercizio: Gespreksoefening

Istruzione:

  1. Dì il nome della festività e la sua data. (Noem de naam van de feestdag en de datum ervan.)
  2. Quali sono i tuoi programmi per le vacanze? Con chi pensi di passarle? (Wat zijn je plannen voor de feestdagen? Met wie ga je het doorbrengen?)
  3. Che giorno è oggi? (Welke dag is het vandaag?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten