Esercizio: Gespreksoefening
Istruzione:
- Dì il nome della festività e la sua data. (Noem de naam van de feestdag en de datum ervan.)
- Quali sono i tuoi programmi per le vacanze? Con chi pensi di passarle? (Wat zijn je plannen voor de feestdagen? Met wie ga je het doorbrengen?)
- Che giorno è oggi? (Welke dag is het vandaag?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten