Hai fame subito dopo aver mangiato? Ecco qualche consiglio!
Heb je meteen honger nadat je hebt gegeten? Hier zijn een paar tips!

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Bekijk de video en beantwoord de bijbehorende vragen.

Woord Vertaling
Avere fame Honger hebben
Dopo aver mangiato Kort na het eten
Il pasto De maaltijd
Il senso di sazietà Het gevoel van verzadiging
Tornare la fame De honger komt terug
L'energia Energie
Vi capita di avere fame quasi subito dopo aver mangiato? (Heb je er last van dat je bijna direct honger krijgt nadat je gegeten hebt?)
Le ragioni possono essere diverse, ma spesso il pasto non è adeguato. (De oorzaken kunnen verschillend zijn, maar vaak is de maaltijd niet adequaat.)
Magari non abbiamo fornito un introito calorico sufficiente. (Misschien hebben we niet genoeg calorieën binnengekregen.)
Spesso si evita l'apporto di grassi come olio, olive o avocado. (Vaak wordt de toevoeging van vetten zoals olie, olijven of avocado vermeden.)
Si preferiscono pasti più leggeri, ma questo può essere un errore. (Men kiest voor lichtere maaltijden, maar dat kan een vergissing zijn.)
Integrare più grassi aiuta ad avere un senso di sazietà più duraturo. (Meer vetten toevoegen helpt om een langer aanhoudend gevoel van verzadiging te krijgen.)
È importante anche evitare troppi carboidrati, soprattutto quelli ad alto indice glicemico. (Het is ook belangrijk niet te veel koolhydraten te eten, vooral niet die met een hoge glycemische index.)
Questi causano un picco glicemico e poi un calo improvviso. (Deze veroorzaken een piek in de bloedsuiker en daarna een plotselinge daling.)
Il risultato? Torna la fame subito dopo. (Het resultaat? De honger komt meteen terug.)
Meglio fare pasti bilanciati, con una buona quota di proteine e grassi: così si favorisce la sazietà e si mantiene l'energia più a lungo. (Beter is het om evenwichtige maaltijden te eten, met een goede hoeveelheid eiwitten en vetten: zo bevorder je verzadiging en behoud je je energie langer.)

1. Perché può tornare la fame poco dopo il pasto?

(Waarom kan de honger kort na de maaltijd terugkomen?)

2. Quali grassi vengono citati come esempi nel testo?

(Welke vetten worden in de tekst als voorbeelden genoemd?)

3. Cosa succede se si consumano troppi carboidrati ad alto indice glicemico?

(Wat gebeurt er als je te veel koolhydraten met een hoge glycemische index consumeert?)

4. Che tipo di pasti è consigliato fare per sentirsi sazi più a lungo?

(Welk soort maaltijden wordt aangeraden om je langer verzadigd te voelen?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Alessia dà qualche consiglio a Marco: è stanco per il lavoro e ha sempre fame

Alessia geeft Marco een paar tips: hij is moe van het werk en heeft altijd honger
1. Marco: Oggi sono distrutto, non ce la faccio più! (Vandaag ben ik kapot, ik kan niet meer!)
2. Alessia: Che succede? Hai lavorato troppo? (Wat is er aan de hand? Heb je te hard gewerkt?)
3. Marco: Sono sempre stanco e mi sento debole. (Ik ben altijd moe en voel me zwak.)
4. Alessia: Ma mangi bene al lavoro? (Maar eet je goed tijdens je werk?)
5. Marco: Macché! Ho solo venti minuti per mangiare: mangio di corsa e male. (Nee joh! Ik heb maar twintig minuten om te eten: ik eet gehaast en ongezond.)
6. Alessia: Eh, così è normale avere sempre fame! (Ja, dan is het logisch dat je altijd honger hebt!)
7. Marco: Già, ho fame e sete tutto il tempo. (Klopt, ik heb de hele tijd honger en dorst.)
8. Alessia: Devi riposare di più e rilassarti un po'. (Je moet meer rusten en wat meer ontspannen.)
9. Marco: Lo so, ma non ho mai tempo. (Ik weet het, maar ik heb nooit tijd.)
10. Alessia: Dai, prenditi cura di te, Marco. (Doe wat voor jezelf, Marco.)
11. Marco: Hai ragione… stasera vado a letto presto! (Je hebt gelijk… vanavond ga ik vroeg naar bed!)
12. Alessia: Fai bene, Marco. Il corpo ha bisogno di riposo. (Goed idee, Marco. Het lichaam heeft rust nodig.)
13. Marco: Sì, e anche di una buona pasta domani! (Ja, en morgen ook een goede pasta!)

1. Perché Marco si sente stanco e debole?

(Waarom voelt Marco zich moe en zwak?)

2. Cosa consiglia Alessia a Marco?

(Wat raadt Alessia Marco aan?)