A1.34 - Huishoudelijke apparaten
A1.34 - Huishoudelijke apparaten

A1.34 - Huishoudelijke apparaten - Oefeningen

Elettrodomestici


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

La lavatrice non parte, penso sia rotta. (De wasmachine start niet, ik denk dat hij kapot is.)
Ho messo i piatti nella lavastoviglie ieri sera. (Ik heb de borden gisteravond in de vaatwasser gezet.)
Uso spesso il microonde per scaldare velocemente la cena. (Ik gebruik vaak de magnetron om het avondeten snel op te warmen.)
Il frigorifero non chiude bene, chiamiamo subito il tecnico. (De koelkast sluit niet goed, laten we meteen de technicus bellen.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Istruzioni per il nuovo appartamento in affitto

Vul de lege plekken in: fornello, microonde, riscaldamento, frigorifero, usarla, usa, lavatrice, lavastoviglie, forno, televisione, ferro, mettila

(Instructies voor het nieuwe huurappartement)

Benvenuto nel tuo nuovo appartamento. In cucina ci sono il , il , il e il . Per risparmiare energia, il forno solo quando cucini per più persone e spegni sempre il fornello dopo l'uso. La è piccola: in funzione solo quando è piena.

In bagno trovi la . Puoi dopo le 20, quando l'energia costa meno. In salotto ci sono la e il : spegni la televisione quando esci e abbassa il riscaldamento di notte. Non usare il da stiro tutti i giorni: prepara i vestiti per la settimana e stirali una sola volta. Così consumi meno energia e paghi bollette più basse.
Welkom in je nieuwe appartement. In de keuken staan de koelkast, de oven, het fornuis en de magnetron. Om energie te besparen, gebruik je de oven alleen wanneer je voor meerdere mensen kookt en zet je het fornuis na gebruik altijd uit. De vaatwasser is klein: zet hem alleen aan wanneer hij vol is.

In de badkamer vind je de wasmachine. Je kunt die na 20.00 uur gebruiken, wanneer energie minder kost. In de woonkamer staan de televisie en de verwarming: zet de televisie uit wanneer je weggaat en zet de verwarming ’s nachts lager. Gebruik het strijkijzer niet elke dag: leg de kleren voor de week klaar en strijk ze maar één keer. Zo verbruik je minder energie en betaal je lagere energierekeningen.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Buongiorno, sono la signora Rossi. La lavastoviglie non funziona: lava lentamente e i piatti restano sporchi. Domani mattina viene il tecnico per controllare.

Perché la signora chiama il tecnico?

(Waarom belt mevrouw de monteur?)
2. Ciao Luca, stasera guardo la partita in televisione. Accendo il riscaldamento e poi preparo la pizza nel forno. Vieni alle otto, così mangiamo insieme.

Che cosa fa l’uomo prima della partita?

(Wat doet de man vóór de wedstrijd?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ieri sera ___ ___ i piatti sporchi nella lavastoviglie.

(Gisteravond ___ ___ de vuile borden in de vaatwasser gezet.)

2. Dopo il trasloco ___ ___ il frigorifero vicino al forno.

(Na de verhuizing ___ ___ de koelkast naast de oven gezet.)

3. Questa mattina ___ ___ con cura il ferro da stiro per le camicie.

(Vanmorgen ___ ___ het strijkijzer zorgvuldig gebruikt voor de overhemden.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Sei in un negozio di elettrodomestici. Vuoi comprare un apparecchio per conservare il cibo freddo a casa. Chiedi al commesso un modello semplice. (Usa: il frigorifero, in cucina, grande/piccolo)

(Je bent in een elektronicawinkel. Je wilt een apparaat kopen om eten thuis koud te bewaren. Vraag de verkoper om een eenvoudig model. (Gebruik: de koelkast, in de keuken, groot/klein))

Vorrei un    

(Ik zou graag een ...)

Voorbeeld:

Vorrei un frigorifero piccolo per la mia cucina.

(Ik zou graag een kleine koelkast voor mijn keuken.)

2. Chiami il proprietario di casa. A casa fa freddo e il riscaldamento non funziona. Spiega il problema in modo semplice. (Usa: il riscaldamento, non funziona, troppo freddo)

(Je belt de huisbaas. Thuis is het koud en de verwarming werkt niet. Leg het probleem op een eenvoudige manier uit. (Gebruik: de verwarming, werkt niet, veel te koud))

Il riscaldamento    

(De verwarming ...)

Voorbeeld:

Il riscaldamento non funziona e in casa è troppo freddo.

(De verwarming werkt niet en in huis is het veel te koud.)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Ciao, sono Marco, il proprietario.

Sto controllando i consumi di energia dell'appartamento. Puoi dirmi, per favore:

  • quali elettrodomestici usi ogni giorno (es. frigorifero, lavatrice, forno, lavastoviglie, televisione, riscaldamento)?
  • se qualche elettrodomestico non funziona bene?

Rispondi semplicemente, con poche frasi. Grazie!
Marco


Hoi, ik ben Marco, de eigenaar.

Ik ben de energieverbruik van het appartement aan het controleren. Kun je me alsjeblieft vertellen:

  • welke huishoudelijke apparaten je elke dag gebruikt (bijv. koelkast, wasmachine, oven, vaatwasser, televisie, verwarming)?
  • of een huishoudelijk apparaat niet goed werkt?

Antwoord simpel, met een paar zinnen. Dank je!
Marco


Nuttige zinnen:

  1. Buongiorno Marco,

    (Goedemorgen Marco,)

  2. Uso ogni giorno il/la...

    (Ik gebruik elke dag de/het...)

  3. C'è un problema con...

    (Er is een probleem met...)

Buongiorno Marco,

uso ogni giorno il frigorifero e la televisione. Uso spesso anche la lavatrice. Il forno e la lavastoviglie li uso raramente. Il riscaldamento lo accendo solo la sera.

La lavatrice funziona bene. Invece la lavastoviglie a volte non lava bene i piatti.

Grazie e a presto,
[Tuo nome]

Goedemorgen Marco,

ik gebruik elke dag de koelkast en de televisie. Ik gebruik ook vaak de wasmachine. De oven en de vaatwasser gebruik ik zelden. De verwarming zet ik alleen 's avonds aan.

De wasmachine werkt goed. Maar de vaatwasser wast soms de borden niet goed.

Dank je en tot snel,
[Jouw naam]