Imperatief - tu: Prendi, Va', Fai, ...

Imperativo - tu: Prendi, Va', Fai, ...


Forma per dare istruzioni informali con tu.

(Vorm om informele instructies te geven met tu.)

Wat is de imperativo (tu)?

De imperativo (tu) gebruik je als je iemand die je met tu aanspreekt een instructie of vriendelijk bevel geeft.

  • In de supermarkt: Prendi un carrello. (Neem een karretje.)
  • Thuis: Apri i biscotti. (Open de koekjes.)

Vorming: zo maak je de imperativo voor “tu”

Je vertrekt van de infinito (werkwoord op -are / -ere / -ire).

Infinito Stap Imperativo (tu)
-are vervang -are-a compra (da comprare)
-ere vervang -ere-i prendi (da prendere)
-ire vervang -ire-i apri (da aprire)

Snelcheck: klopt je vorm?

  1. Staat het werkwoord in de tu-vorm als instructie?
  2. Eindigt het op -a (bij -are) of op -i (bij -ere/-ire)?
  3. Gebruik je geen “tu” in de zin (meestal laat je dat weg)?
Goed (imperativo) Niet hier
Prendi il succo dal frigo. Prendere il succo dal frigo.
Apri i biscotti. Aprire i biscotti.

Belangrijke uitzonderingen (die je vaak nodig hebt)

Sommige heel frequente werkwoorden zijn onregelmatig in de imperativo (tu). Deze vormen leer je best als vaste combinaties.

Infinito Imperativo (tu) Voorbeeld
fare fai / fa’ Fai la lista della spesa.
dare dai / da’ Dai la carta vantaggi in cassa.
stare stai / sta’ Stai qui vicino alla cassa.
andare vai / va’ Va’ alla panetteria subito.
dire di’ Di’ al cassiere grazie.

Apostrof (’): wanneer zie je fa’, da’, sta’, va’?

Bij fare, dare, stare, andare bestaan twee correcte vormen:

  • lange vorm: fai, dai, stai, vai
  • korte vorm: fa’, da’, sta’, va’ (met apostrof)

Praktisch: in spreektaal hoor je vaak de korte vorm. In schrijftaal zijn beide oké.

Correct Let op
Va’ alla panetteria. Va alla panetteria. (kan verwarren met “hij/zij gaat”)
Di’ la verità. la verità. (verkeerde accentteken; hier is het apostrof)

Van zin met “tu” naar instructie: zo doe je dat snel

  1. Schrap tu.
  2. Zet het werkwoord in de juiste imperativo (tu)-vorm.
  • Tu prendi il pane.Prendi il pane.
  • Tu vai alla panetteria subito.Va’ alla panetteria subito.

Wat moet je vooral onthouden?

  • -are → -a (comprare → compra)
  • -ere/-ire → -i (prendere → prendi, aprire → apri)
  • Leer de uitzonderingen als vaste vormen: fai/fa’, dai/da’, stai/sta’, vai/va’, di’
  1. -are → -a, -ere/-ire → -i.
Infinito (Infinitief)Imperativo (tu) (Gebiedende wijs (jij))Esempio (Voorbeeld)
Mettere (zetten)Metti (zet)Metti la frutta nel carrello. (Leg het fruit in het winkelwagentje.)
Prendere (nemen)Prendi (neem)Prendi il succo dal frigo. (Pak het sap uit de koelkast.)
Aprire (openen)Apri (open)Apri i biscotti per la merenda. (Open de koekjes voor het tussendoortje.)
Fare (doen / maken)Fai / Fa' (doe / maak)Fai la lista della spesa. (Maak het boodschappenlijstje.)
Dare (geven)Dai / Da' (geef)Dai la carta vantaggi in cassa. (Geef de klantenkaart bij de kassa.)
Stare (blijven / staan)Stai / Sta' (blijf / sta)Stai qui vicino alla cassa. (Blijf hier bij de kassa.)
Andare (gaan)Vai / Va' (ga)Va' alla panetteria subito. (Ga meteen naar de bakkerij.)
Dire (zeggen)Di' (zeg)Di' al cassiere grazie. (Zeg dank je wel tegen de kassier.)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. ___ un carrello e metti la frutta qui.

___ een winkelwagen en leg het fruit hier.

2. ___ in panetteria e compra i biscotti, per favore.

___ naar de bakkerij en koop de koekjes, alsjeblieft.

3. ___ la lista della spesa prima di uscire.

___ het boodschappenlijstje voordat je weggaat.

4. ___ al cassiere che vuoi pagare con la carta.

___ tegen de kassier dat je met de kaart wilt betalen.

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door ze om te zetten in informele bevelen voor 'jij' (imperatief). Voorbeeld: “Jij neemt het brood.” → “Neem het brood.”

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Tu metti la frutta nel carrello.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Metti la frutta nel carrello.
    (Leg het fruit in de winkelwagen.)
  2. Tu prendi il succo dal frigo.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Prendi il succo dal frigo.
    (Pak het sap uit de koelkast.)
  3. Tu apri i biscotti per la merenda.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Apri i biscotti per la merenda.
    (Open de koekjes voor het tussendoortje.)
  4. Tu fai la lista della spesa.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Fai la lista della spesa.
    (Maak het boodschappenlijstje.)
  5. Tu dai la carta vantaggi in cassa.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Dai la carta vantaggi in cassa.
    (Geef de voordeelkaart bij de kassa.)
  6. Tu vai alla panetteria subito.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Voorbeeld
    Va' alla panetteria subito.
    (Ga meteen naar de bakkerij.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Geef om de beurt instructies aan je partner om de producten te vinden en te kopen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Al supermercato, aiuti un amico a fare la spesa velocemente.
(In de supermarkt help je een vriend om snel boodschappen te doen.)

Bespreek
  • Quali cose devono andare nella lista della spesa oggi e perché? (Welke dingen moeten vandaag op de boodschappenlijst en waarom?)
  • In che ordine vai nel supermercato: frutta, verdura, panetteria, carne o pesce? Spiega perché: è più veloce, comodo o economico? (In welke volgorde ga je door de supermarkt: fruit, groente, bakkerij, vlees of vis? Leg uit waarom: is het sneller, handiger of goedkoper?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Fai la lista della spesa. (Maak de boodschappenlijst.)
  • Prendi il carrello della spesa. (Neem het winkelwagentje.)
  • Metti la frutta e la verdura nel carrello. (Stop het fruit en de groente in het winkelwagentje.)

Gebruik in gesprek
  • Prendi / compra / metti… (Neem / koop / stop…)
  • Vai / va'… (Ga / ga'…)
  • Dai / di'… (Geef / geef'…)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 16/04/2026 17:47