Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon antwoordenOefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Dove deve arrivare la lettera?
Che cosa chiede il dottor Bianchi alla persona?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Se mi dai il tuo numero di cellulare, ti ___ domani.
(Als je me je mobiele nummer geeft, ___ ik je morgen.)2. Se scrivi l'indirizzo completo, l'impiegata ___ meglio.
(Als je het volledige adres opschrijft, ___ de medewerkster het beter.)3. Se ___ la mail oggi, riceviamo la conferma dell'appuntamento.
(Als we de e-mail vandaag ___, ontvangen we de bevestiging van de afspraak.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 6: Reageer op de situatie (QR: AI+)
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Sei in Comune per fare la carta d'identità. L'impiegata ti chiede il tuo indirizzo. Rispondi e comunica il nome della via e il numero civico. (Usa: la via, il numero, il codice postale)
(Je bent op het gemeentehuis om een identiteitskaart te maken. De medewerkster vraagt je om je adres. Antwoord en geef de straatnaam en het huisnummer. (Gebruik: de straat, het nummer, de postcode))La mia via è
(Mijn straat is ...)Voorbeeld:
La mia via è Via Verdi 15, il numero è 15 e il codice postale è 20121.
(Mijn straat is Via Verdi 15, het nummer is 15 en de postcode is 20121.)2. Una nuova collega vuole inviarti una presentazione. Siete in ufficio. Lei ti chiede la tua e‑mail. Rispondi e di’ un indirizzo semplice. (Usa: la mail, inviare, contattare)
(Een nieuwe collega wil je een presentatie sturen. Jullie zijn op kantoor. Zij vraagt je om je e‑mail. Antwoord en geef een eenvoudig adres. (Gebruik: de mail, sturen, contacteren))La mia mail è
(Mijn mail is ...)Voorbeeld:
La mia mail è marco.rossi@gmail.com, può inviare il file lì e può contattarmi via mail.
(Mijn mail is marco.rossi@gmail.com, ze kan het bestand daarheen sturen en ze kan me via mail contacteren.)