Nel carrello della spesa delle famiglie italiane non manca mai la pasta, la passata di pomodoro per fare il sugo, l'olio extra vergine d'oliva e frutta e verdura fresca!
In het boodschappenwagentje van Italiaanse gezinnen ontbreekt pasta nooit, net als passata van tomaat voor de saus, extra vierge olijfolie en verse groenten en fruit!

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.

Woord Vertaling
La lista della spesa Boodschappenlijst
La carne Vlees
Il pesce Vis
Le uova Eieren
Il latte Melk
Il formaggio Kaas
La frutta Fruit
Le verdure Groenten
La pasta Pasta
Il pane Brood
Ecco una lista della spesa settimanale che può semplificarti la vita. (Dit is een wekelijkse boodschappenlijst die je leven kan vereenvoudigen.)
Per la carne puoi comprare carne rossa, pollo e tacchino. (Voor vlees kun je rundvlees, kip en kalkoen kopen.)
Per il pesce puoi prendere salmone, pesce bianco, tonno in scatola e sardine. (Voor vis kun je zalm, witte vis, tonijn uit blik en sardines kiezen.)
Aggiungi anche le uova alla tua spesa. (Voeg ook eieren toe aan je boodschappen.)
Per i latticini vanno bene latte, ricotta o yogurt bianco. (Voor zuivelproducten zijn melk, ricotta of gewone yoghurt prima.)
In alternativa puoi scegliere latte vegetale, per esempio di soia o di cocco, e lo stesso vale per lo yogurt. (Als alternatief kun je plantaardige melk kiezen, bijvoorbeeld sojamelk of kokosmelk; hetzelfde geldt voor yoghurt.)
Non dimenticare il formaggio: per esempio parmigiano o formaggio spalmabile. (Vergeet de kaas niet: bijvoorbeeld Parmezaanse kaas of smeerbare kaas.)
Per la frutta scegli uno o due tipi di frutta al giorno, a tua scelta. (Kies voor fruit één of twee soorten per dag, naar eigen voorkeur.)
Per le verdure scegli quelle che puoi bollire o cuocere al forno. (Kies groenten die je kunt koken of in de oven kunt klaarmaken.)
Come alimenti principali puoi prendere pasta, riso, avena e ovviamente il pane: sono adatti a quasi tutti i tipi di dieta. (Als hoofdvoedingsmiddelen kun je pasta, rijst, havermout en natuurlijk brood nemen; deze passen bij bijna alle diëten.)

Begripsvragen:

  1. Che tipi di carne puoi comprare con questa lista della spesa?

    (Welke soorten vlees kun je met deze boodschappenlijst kopen?)

  2. Quali prodotti puoi scegliere se non vuoi il latte normale?

    (Welke producten kun je kiezen als je geen gewone melk wilt?)

  3. Quali alimenti di base puoi comprare per avere carboidrati nella tua dieta?

    (Welke basisvoedingsmiddelen kun je kopen om koolhydraten in je dieet op te nemen?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

Fare la spesa per la cena

Boodschappen doen voor het avondeten
1. Fabio: Amore, sto facendo la lista della spesa. Ti serve qualcosa? (Liefje, ik maak de boodschappenlijst. Heb je nog iets nodig?)
2. Anna: Sì, stasera ho voglia di carne con delle verdure. Le puoi prendere? (Ja, vanavond heb ik zin in vlees met wat groenten. Kun je die meenemen?)
3. Fabio: Ma non mangiamo pesce da un po’. Cosa dici se prendo quello invece? Così rimaniamo anche più leggeri per domani. (Maar we hebben al een tijdje geen vis gegeten. Wat denk je ervan als ik in plaats daarvan vis neem? Dan blijven we morgen ook wat lichter.)
4. Anna: Ah già, domani andiamo al ristorante. Va bene allora, prendi il pesce. (Ah ja, morgen gaan we naar het restaurant. Goed, neem dan de vis.)
5. Fabio: Ti prendo qualcosa per il pranzo? (Zal ik iets meenemen voor de lunch?)
6. Anna: Sì, mi prendi un pacco di pasta, per favore? (Ja, wil je alsjeblieft een pak pasta voor me meenemen?)
7. Fabio: Ok, allora ho scritto: pesce, verdura, pasta. Manca qualcos’altro? (Oké, dan heb ik genoteerd: vis, groenten, pasta. Ontbreekt er nog iets?)
8. Anna: Mancano i biscotti e il latte per la colazione. (De koekjes en de melk voor het ontbijt ontbreken nog.)
9. Fabio: Va bene, segnati. Vieni con me al supermercato? (Goed, genoteerd. Ga je met me mee naar de supermarkt?)
10. Anna: Mi cambio e andiamo. (Ik kleed me om en dan gaan we.)

1. Leggi il dialogo. Dove vanno Fabio e Anna?

(Lees de dialoog. Waar gaan Fabio en Anna naartoe?)

2. Per la cena di stasera, cosa decide di comprare Fabio?

(Wat besluit Fabio te kopen voor het avondeten van vanavond?)

Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken

Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.

  1. Immagina che domani lavori tutto il giorno. Cosa scrivi sulla lista della spesa per la colazione e per la cena?
    Stel je voor dat je morgen de hele dag werkt. Wat zet je op de boodschappenlijst voor het ontbijt en voor het avondeten?

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Sei al supermercato e non trovi il latte. Cosa chiedi al cassiere o a un commesso?
    Je bent in de supermarkt en je kunt de melk niet vinden. Wat vraag je aan de kassière of aan een medewerker?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Preferisci fare la spesa al mercato o al supermercato? Perché?
    Doe je liever je boodschappen op de markt of in de supermarkt? Waarom?

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. Stasera inviti due colleghi a cena. Cosa compri da mangiare e da bere?
    Vanavond nodig je twee collega’s uit voor het diner. Wat koop je om te eten en te drinken?

    __________________________________________________________________________________________________________

Oefening 4: Oefening in context

Instructie: Che cosa metti nel carrello della spesa? Scegli 5 prodotti.

  1. https://spesaonline.esselunga.it/commerce/nav/supermercato/store/landing/mix/affari-estate/250731/centrale?breadcrumbs=0&menuItemId=600000001045037