Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Scusi, dove posso trovare la verdura fresca, per favore? (Pardon, waar kan ik verse groenten vinden, alstublieft?)
Andiamo al supermercato a fare la spesa oggi? (Gaan we vandaag naar de supermarkt om boodschappen te doen?)
Scusa, hai preso il carrello della spesa? (Sorry, heb je de winkelwagen gepakt?)
Alla cassa il cassiere mette i biscotti e il succo sul nastro. (Bij de kassa legt de kassier de koekjes en het sap op de band.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Volantino del supermercato

Vul de lege plekken in: cassiere, panetteria, frutta, biscotti, lista, verdura, supermercato, carne, carrello, pesce

(Supermarktfolder)

Questa settimana il SuperItalia ha una promozione speciale. Nel reparto e ci sono mele, banane, pomodori e insalata a prezzi ridotti. Nel reparto trovi pollo fresco; nel reparto c'è salmone in offerta.

Alla del supermercato puoi comprare pane fresco e per la colazione. Alla cassa il ti chiede se paghi in contanti o con la carta. All'entrata puoi prendere un della spesa. Fai la della spesa a casa, prima di andare: così compri tutto e risparmi tempo.
Deze week heeft supermarkt SuperItalia een speciale aanbieding. Op de fruit- en groenteafdeling zijn appels, bananen, tomaten en sla voor gereduceerde prijzen. Op de vleesafdeling vind je verse kip; op de visafdeling is zalm in de aanbieding.

Bij de bakkerij van de supermarkt kun je vers brood en koekjes voor het ontbijt kopen. Bij de kassa vraagt de kassière of je contant betaalt of met pinpas/kaart. Bij de ingang kun je een winkelwagen pakken. Maak thuis een boodschappenlijstje voordat je gaat: zo koop je alles en bespaar je tijd.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Scusi, dove trovo il succo di frutta? Ho la lista della spesa ma non lo vedo sugli scaffali. Devo prendere anche i biscotti e poi vado alla cassa.

Cosa chiede la signora all'inizio?

(Wat vraagt de mevrouw aan het begin?)
2. Andiamo a fare la spesa al mercato? Io prendo il pesce e la verdura, tu prendi il pane in panetteria. Dopo andiamo anche al supermercato per la carne.

Qual è il piano dell'uomo?

(Wat is het plan van de man?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Scusi, dove ___ il pane integrale?

(Pardon, waar ___ u het volkorenbrood?)

2. Scusa, ___ tu il carrello della spesa?

(Hé, ___ jij het boodschappenwagentje?)

3. ___ al supermercato e ___ il pesce e la verdura.

(___ naar de supermarkt en ___ de vis en de groente.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Sei al supermercato dopo il lavoro. Vuoi comprare qualcosa per la colazione di domani. Chiedi alla cassiera dove sono i biscotti. (Usa: i biscotti, il supermercato, per favore)

(Je bent in de supermarkt na je werk. Je wilt iets kopen voor het ontbijt van morgen. Vraag aan de kassière waar de koekjes zijn. (Gebruik: i biscotti, il supermercato, per favore))

Per favore,    

(Per favore, ...)

Voorbeeld:

Per favore, dove sono i biscotti?

(Per favore, dove sono i biscotti?)

2. Sei al mercato vicino a casa. Vuoi comprare frutta per la settimana. Chiedi alla signora del banco se la frutta è fresca oggi. (Usa: la frutta, fresca, oggi)

(Je bent op de markt vlak bij huis. Je wilt fruit kopen voor de week. Vraag aan de verkoopster of het fruit vandaag vers is. (Gebruik: la frutta, fresca, oggi))

La frutta    

(La frutta ...)

Voorbeeld:

La frutta è fresca oggi?

(La frutta è fresca oggi?)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Ciao Luca,

sto andando adesso al supermercato con il carrello della spesa. Devo prendere pane, pasta, latte e un po' di frutta e verdura.

Ti serve qualcosa per oggi o per domani? Posso pagare alla cassa e poi mi dai i soldi dopo.

Fammi sapere presto, sono alla porta di casa e poi andiamo.

Marco


Ciao Luca,

ik ga nu naar de supermercato met het carrello della spesa. Ik moet pane, pasta, latte en wat frutta en verdura kopen.

Heb je iets nodig voor vandaag of voor morgen? Ik kan bij de cassa betalen en je geeft me later het geld terug.

Laat het me snel weten, ik sta voor de deur en dan andiamo.

Marco


Nuttige zinnen:

  1. Ciao Marco, grazie, mi prendi...

    (Ciao Marco, grazie, mi prendi...)

  2. Per favore, vorrei anche...

    (Per favore, vorrei anche...)

  3. Scusa, dove trovo...?

    (Scusa, dove trovo...?)

Ciao Marco, grazie!

Mi prendi per favore il latte, i biscotti e un po' di frutta, per esempio mele? E anche una bottiglia di succo d'arancia.

In negozio chiedo: "Scusi, dove trovo il pesce?" perché domani voglio cucinare il pesce.

Ti do i soldi quando torni. A dopo!

Ciao Marco, grazie!

Kun je alsjeblieft melk, koekjes en wat fruit voor me meenemen, bijvoorbeeld appels? En ook een fles sinaasappelsap.

In de winkel vraag ik: "Scusi, dove trovo il pesce?" omdat ik morgen vis wil koken.

Ik geef je het geld als je terug bent. Tot straks!