A1.20 - Boodschappen doen
A1.20 - Boodschappen doen

A1.20 - Boodschappen doen - Oefeningen

Fare la spesa


Oefening 1: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Scusi, dove posso trovare la verdura fresca, per favore? (Pardon, waar kan ik de verse groenten vinden, alstublieft?)
Andiamo al supermercato a fare la spesa oggi? (Gaan we vandaag naar de supermarkt om boodschappen te doen?)
Scusa, hai preso il carrello della spesa? (Sorry, heb je het winkelwagentje gepakt?)
Alla cassa il cassiere mette i biscotti e il succo sul nastro. (Bij de kassa legt de kassier de koekjes en het sap op de band.)

Oefening 2: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Volantino del supermercato

Vul de lege plekken in: biscotti, supermercato, frutta, carne, verdura, cassiere, carrello, lista, pesce, panetteria

(Supermarktfolder)

Questa settimana il SuperItalia ha una promozione speciale. Nel reparto e ci sono mele, banane, pomodori e insalata a prezzi ridotti. Nel reparto trovi pollo fresco; nel reparto c'è salmone in offerta.

Alla del supermercato puoi comprare pane fresco e per la colazione. Alla cassa il ti chiede se paghi in contanti o con la carta. All'entrata puoi prendere un della spesa. Fai la della spesa a casa, prima di andare: così compri tutto e risparmi tempo.
Deze week heeft supermarkt SuperItalia een speciale promotie. In de afdeling groente en fruit zijn er appels, bananen, tomaten en sla tegen verlaagde prijzen. In de vleesafdeling vind je verse kip; in de visafdeling is er zalm in de aanbieding.

Bij de bakkerij van de supermarkt kun je vers brood en koekjes voor het ontbijt kopen. Bij de kassa vraagt de kassier je of je contant of met kaart betaalt. Bij de ingang kun je een winkelwagen nemen. Maak thuis de boodschappenlijst voordat je gaat: zo koop je alles en bespaar je tijd.

Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Scusi, dove trovo il succo di frutta? Ho la lista della spesa ma non lo vedo sugli scaffali. Devo prendere anche i biscotti e poi vado alla cassa.

Cosa chiede la signora all'inizio?

(Wat vraagt de dame aan het begin?)
2. Andiamo a fare la spesa al mercato? Io prendo il pesce e la verdura, tu prendi il pane in panetteria. Dopo andiamo anche al supermercato per la carne.

Qual è il piano dell'uomo?

(Wat is het plan van de man?)

Oefening 4: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Scusi, dove ___ il pane integrale?

(Pardon, waar ___ u het volkorenbrood?)

2. Scusa, ___ tu il carrello della spesa?

(Sorry, ___ jij het winkelwagentje?)

3. ___ al supermercato e ___ il pesce e la verdura.

(___ naar de supermarkt en ___ de vis en de groenten.)

Oefening 5: Gesprekskaarten

Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 6: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Sei al supermercato dopo il lavoro. Vuoi comprare qualcosa per la colazione di domani. Chiedi alla cassiera dove sono i biscotti. (Usa: i biscotti, il supermercato, per favore)

(Je bent na het werk in de supermarkt. Je wilt iets kopen voor het ontbijt van morgen. Vraag de caissière waar de koekjes zijn. (Gebruik: i biscotti, il supermercato, per favore))

Per favore,    

(Alsjeblieft, ...)

Voorbeeld:

Per favore, dove sono i biscotti?

(Alsjeblieft, waar zijn de koekjes?)

2. Sei al mercato vicino a casa. Vuoi comprare frutta per la settimana. Chiedi alla signora del banco se la frutta è fresca oggi. (Usa: la frutta, fresca, oggi)

(Je bent op de markt bij jou in de buurt. Je wilt fruit kopen voor de week. Vraag aan de mevrouw van de kraam of het fruit vandaag vers is. (Gebruik: la frutta, fresca, oggi))

La frutta    

(Het fruit ...)

Voorbeeld:

La frutta è fresca oggi?

(Is het fruit vandaag vers?)

Oefening 7: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie


Ciao Luca,

sto andando adesso al supermercato con il carrello della spesa. Devo prendere pane, pasta, latte e un po' di frutta e verdura.

Ti serve qualcosa per oggi o per domani? Posso pagare alla cassa e poi mi dai i soldi dopo.

Fammi sapere presto, sono alla porta di casa e poi andiamo.

Marco


Hoi Luca,

ik ga nu naar de supermarkt met het winkelwagentje. Ik moet brood, pasta, melk en wat fruit en groenten halen.

Heb je iets nodig voor vandaag of voor morgen? Ik kan bij de kassa betalen en dan geef je me het geld later.

Laat het me snel weten, ik sta bij de voordeur en dan gaan we.

Marco


Nuttige zinnen:

  1. Ciao Marco, grazie, mi prendi...

    (Hoi Marco, bedankt, wil je ... voor me meenemen?)

  2. Per favore, vorrei anche...

    (Alsjeblieft, ik zou ook graag ... willen.)

  3. Scusa, dove trovo...?

    (Sorry, waar vind ik ...?)

Ciao Marco, grazie!

Mi prendi per favore il latte, i biscotti e un po' di frutta, per esempio mele? E anche una bottiglia di succo d'arancia.

In negozio chiedo: "Scusi, dove trovo il pesce?" perché domani voglio cucinare il pesce.

Ti do i soldi quando torni. A dopo!

Hoi Marco, bedankt!

Wil je alsjeblieft melk, koekjes en wat fruit voor me meenemen, bijvoorbeeld appels? En ook een fles sinaasappelsap.

In de winkel vraag ik: "Pardon, waar vind ik de vis?" omdat ik morgen vis wil koken.

Ik geef je het geld als je terug bent. Tot straks!