Leer essentile Italiaanse woordenschat over tafelgerei zoals 'il bicchiere', 'il coltello', en 'il tovagliolo' gecombineerd met plaatsbepalingen als 'a destra' en 'vicino' om een tafel correct te dekken en spullen in de keuken te organiseren.
Luister- en leesmateriaal
Oefen woordenschat in context met echte materialen.
Woordenschat (14) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Verdeel de woorden in twee groepen: één voor voorwerpen die worden gebruikt om te eten en de andere om de positie op de tafel aan te geven.
Stoviglie (oggetti da tavola)
Posizioni sul tavolo
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
La forchetta
De vork
2
Il bicchiere
Het glas
3
Le posate
Het bestek
4
Il tovagliolo
De servet
5
Il piatto
Het bord
Esercizio 5: Gespreksoefening
Istruzione:
- Vraag om een voorwerp dat je nodig hebt door te geven. (Vraag om een item dat je nodig hebt door te geven.)
- Noem al het serviesgoed en het gebruik ervan. (Noem al het serviesgoed en het gebruik.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
La ciotola con lo zucchero è sul tavolo. De schaal met suiker staat op de tafel. |
Il cucchiaio è nella ciotola. De lepel is in de kom. |
Puoi mettere la tovaglia sul tavolo? Kun je het tafelkleed op de tafel leggen? |
Il bicchiere è pieno di succo d'arancia. Het glas is gevuld met sinaasappelsap. |
Il piatto è pieno di croissant. Het bord is gevuld met croissants. |
Puoi passarmi un bicchiere d'acqua? Kun je me een glas water aangeven? |
Vuoi una tazza di caffè o una tazza di tè? Wil je een kopje koffie of een kopje thee? |
La forchetta, il coltello e il cucchiaio sono accanto al piatto. De vork, het mes en de lepel liggen naast het bord. |
... |
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Oggi ___ riempito i bicchieri con acqua fresca prima di apparecchiare la tavola.
(Vandaag ___ de glazen gevuld met vers water voordat ik de tafel heb gedekt.)2. ___ messo la tovaglia sopra il tavolo, vicino alla finestra.
(___ het tafelkleed op de tafel gelegd, vlakbij het raam.)3. ___ sistemato le posate accanto ai piatti, come si fa in Italia.
(___ het bestek naast de borden gelegd, zoals het in Italië gebruikelijk is.)4. Prima di servire la cena, ___ controllato che ci siano tutti i coltelli e le forchette?
(Voor het opdienen van het diner, ___ gecontroleerd of alle messen en vorken aanwezig zijn?)Oefening 8: De tafel dekken voor de gasten
Instructie:
Werkwoordschema's
Preparare - dekken
Passato prossimo
- io ho preparato
- tu hai preparato
- lui/lei ha preparato
- noi abbiamo preparato
- voi avete preparato
- loro hanno preparato
Mettere - leggen
Passato prossimo
- io ho messo
- tu hai messo
- lui/lei ha messo
- noi abbiamo messo
- voi avete messo
- loro hanno messo
Riempire - vullen
Passato prossimo
- io ho riempito
- tu hai riempito
- lui/lei ha riempito
- noi abbiamo riempito
- voi avete riempito
- loro hanno riempito
Prendere - pakken
Passato prossimo
- io ho preso
- tu hai preso
- lui/lei ha preso
- noi abbiamo preso
- voi avete preso
- loro hanno preso
Arrivare - aankomen
Passato prossimo
- io sono arrivato/a
- tu sei arrivato/a
- lui/lei è arrivato/a
- noi siamo arrivati/e
- voi siete arrivati/e
- loro sono arrivati/e
Oefening 9: Gli avverbi di luogo
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: De bijwoorden van plaats
Toon vertaling Toon antwoordenvicino, sopra, a sinistra, a destra, fuori, sotto, dietro, dentro
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Riempire vullen Delen Gekopieerd!
Passato prossimo
Italiaans | Nederlands |
---|---|
(io) ho riempito | ik heb gevuld |
(tu) hai riempito | jij hebt gevuld |
(lui/lei) ha riempito | hij/zij heeft gevuld |
(noi) abbiamo riempito | wij hebben gevuld |
(voi) avete riempito | jullie hebben gevuld |
(loro) hanno riempito | zij hebben gevuld |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Italiaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem gewoon vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Lesoverzicht: Tafeldekken met plaatsbepalende bijwoorden
In deze les leer je hoe je tafelklaar maakt in het Italiaans, met speciale aandacht voor plaatsbepalende bijwoorden (avverbi di luogo). Deze woorden en uitdrukkingen helpen je om aan te geven waar voorwerpen zich bevinden, wat essentieel is bij het beschrijven hoe je een tafel dekt en waar je servies plaatst.
Belangrijke woordgroepen
De les is opgebouwd rond twee hoofdgroepen woordenschat:
- Stoviglie (tafelgerei): il bicchiere (het glas), il coltello (het mes), il cucchiaio (de lepel), il piatto (het bord), il tovagliolo (de servet), la forchetta (de vork)
- Posizioni per apparecchiare la tavola (plaatsaanduidingen): a destra (rechts), a sinistra (links), davanti (voor), vicino (dichtbij), sopra (boven), sotto (onder), dentro (binnen)
Praktische zinnen en voorbeelden
De zinnen uit de les laten zien hoe je deze woorden met elkaar combineert om een tafel te beschrijven: bijvoorbeeld "Il piatto è davanti al bicchiere, vicino alla forchetta." of "Posiziona il coltello a destra del piatto e il cucchiaio a sinistra." Dit zijn handige constructies om instructies te geven of te begrijpen over waar je spullen plaatst.
Dialogen voor actief leren
Er zijn dialogen voor twee situaties: tafeldekken voor gasten en organiseren van servies in de keuken. Ze trainen je om vragen en aanwijzingen te geven, zoals "Dove metti il coltello?" en de antwoorden erop.
Werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd
De les bevat ook een focus op werkwoordvervoegingen in de passato prossimo, zoals ho riempito (ik heb gevuld), ho messo (ik heb gelegd), en abbiamo preparato (wij hebben klaargemaakt). Dit is belangrijk om over afgeronde handelingen te spreken.
Verschillen tussen het Nederlands en Italiaans
Waar het Nederlands vaak een vast woordvolgorde en aparte voorzetsels gebruikt voor plaatsaanduidingen, combineert het Italiaans deze vaak met de werkwoorden en gebruikt het specifieke plaatsbepalende bijwoorden die direct op het zelfstandig naamwoord volgen. Bijvoorbeeld, in het Italiaans zeggen we "a destra del piatto" voor "rechts van het bord". Let ook op het gebruik van de passato prossimo voor voltooide handelingen, wat in het Nederlands vaak met de voltooide tijd weergeven wordt.
Handige woorden en uitdrukkingen
- Il tavolo – de tafel
- Apparecchiare la tavola – de tafel dekken
- La tavaglia – het tafelkleed
- Vicino a / a destra di / sotto – dichtbij / rechts van / onder
- Posare – neerleggen, plaatsen
- Riempire – vullen
Met deze woorden kun je een gedetailleerde beschrijving geven van waar elk object zich bevindt en hoe je een tafel netjes inpakt volgens Italiaanse gewoonten.