1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (13)

Simpatico

Simpatico Show

Aardig Show

Amichevole

Amichevole Show

Vriendelijk Show

Antipatico

Antipatico Show

Onvriendelijk Show

Timido

Timido Show

Verlegen Show

Intelligente

Intelligente Show

Slim Show

Goffo

Goffo Show

Lomp Show

Bugiardo

Bugiardo Show

Leugenachtig Show

Pigro

Pigro Show

Lui Show

Generoso

Generoso Show

Gul Show

Socievole

Socievole Show

Sociaal Show

Stressato

Stressato Show

Gestrest Show

Sembrare

Sembrare Show

Lijken Show

Incontrare

Incontrare Show

Ontmoeten Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

WhatsApp: Hai ricevuto un messaggio WhatsApp da una collega italiana che ti chiede un parere sui nuovi colleghi del tuo ufficio; rispondi al suo messaggio.


Giulia: Ciao! 😊

Come va? Domani abbiamo la riunione con il capo e i nuovi colleghi. Io non li conosco bene.

Tu che lavori con loro ogni giorno, come sono?

Per esempio:

  • Chi è il più simpatico in ufficio?
  • Chi ti sembra molto amichevole o socievole?
  • C'è qualcuno un po' timido o stressato?

Mi aiuti? Così domani sono più tranquilla 😊


Giulia: Ciao! 😊

Hoe gaat het? Morgen hebben we de vergadering met de baas en de nieuwe collega’s. Ik ken ze niet goed.

Jij die elke dag met hen werkt, hoe zijn ze?

Bijvoorbeeld:

  • Wie is de vriendelijkste op kantoor?
  • Wie lijkt erg gezellig of sociaal?
  • Is er iemand een beetje verlegen of gestrest?

Kun je me helpen? Dan ben ik morgen wat rustiger 😊


Begrijp de tekst:

  1. Perché Giulia scrive questo messaggio? Che cosa chiede?

    (Waarom stuurt Giulia dit bericht? Wat vraagt ze?)

  2. Quali aggettivi di personalità usa Giulia nella chat per chiedere informazioni sui colleghi?

    (Welke persoonlijkheidsbijvoeglijke naamwoorden gebruikt Giulia in de chat om naar de collega’s te vragen?)

Nuttige zinnen:

  1. Secondo me il collega più simpatico è...

    (Volgens mij is de vriendelijkste collega...)

  2. Mi sembra una persona molto...

    (Hij/zij lijkt me een erg ... persoon.)

  3. In generale i miei colleghi sono...

    (Over het algemeen zijn mijn collega’s...)

Ciao Giulia,

grazie per il messaggio. In generale i miei colleghi sono simpatici.

Secondo me il collega più simpatico è Marco: è molto socievole e amichevole con tutti. La più timida è Elisa: parla poco ma è molto intelligente. Il capo a volte è un po' stressato, ma è una persona corretta.

Tranquilla, domani andrà bene! A dopo,

[Il tuo nome]

Ciao Giulia,

bedankt voor je bericht. Over het algemeen zijn mijn collega’s aardig.

Volgens mij is de vriendelijkste collega Marco: hij is erg sociaal en hartelijk tegen iedereen. De meest verlegen is Elisa: ze praat weinig maar is heel intelligent. De baas is soms een beetje gestrest, maar hij is een correcte persoon.

Maak je geen zorgen, morgen komt het goed! Tot later,

[Jouw naam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Il mio capo è la persona più paziente dell'ufficio. (Mijn baas is de meest geduldige persoon op kantoor.)
In ufficio preferisco colleghi simpatici e socievoli. (Op kantoor geef ik de voorkeur aan vriendelijke, sociale collega's.)
Ieri ho incontrato un candidato molto timido al colloquio. (Gisteren heb ik bij het sollicitatiegesprek een erg verlegen kandidaat ontmoet.)
In questo periodo Marco sembra il più stressato del team. (Momenteel lijkt Marco de meest gestresste van het team.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ieri ___ incontrato il collega nuovo, Marco: mi ___ sembrato il più simpatico dell'ufficio.

(Gisteren ___ de nieuwe collega Marco ontmoet; hij ___ me de aardigste van het kantoor.)

2. Alla festa di Natale ___ incontrato tutti i colleghi, ma Laura ___ sembrata la meno timida del gruppo.

(Op het kerstfeest ___ we alle collega’s ontmoet, maar Laura ___ de minst verlegen van de groep.)

3. Nel colloquio di ieri ___ incontrato il direttore: mi ___ sembrato il più intelligente ma anche il meno socievole.

(Tijdens het gesprek van gisteren ___ ik de directeur ontmoet: hij ___ me de slimste maar ook de minst sociale.)

4. Quando ___ incontrato i nuovi stagisti, Maria ___ sembrata la più amichevole e il suo collega il meno stressato.

(Toen ___ we de nieuwe stagiairs ontmoet, leek Maria ___ de vriendelijkste en haar collega de minst gestreste.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Sei in ufficio. Un nuovo collega arriva nel tuo team e il tuo capo ti chiede com’è questa persona. Descrivi il collega con una frase semplice. (Usa: simpatico, molto, al lavoro)

(Je bent op kantoor. Er komt een nieuwe collega in je team en je baas vraagt hoe die persoon is. Beschrijf de collega met één eenvoudige zin. (Gebruik: simpatico, molto, al lavoro))

Il mio collega è  

(Mijn collega is ...)

Voorbeeld:

Il mio collega è molto simpatico al lavoro.

(Mijn collega is heel sympathiek op het werk.)

2. Sei a una cena con amici in un ristorante. Un’amica ti chiede com’è il tuo nuovo vicino di casa. Rispondi con una frase semplice. (Usa: amichevole, molto, parlare)

(Je bent met vrienden aan het eten in een restaurant. Een vriendin vraagt hoe je nieuwe buurman is. Antwoord met één eenvoudige zin. (Gebruik: amichevole, molto, parlare))

Il mio vicino è  

(Mijn buurman is ...)

Voorbeeld:

Il mio vicino è molto amichevole, parla sempre con tutti.

(Mijn buurman is heel vriendelijk, hij praat altijd met iedereen.)

3. Stai presentando un collega a un cliente in videoriunione. Vuoi dire che il collega parla facilmente con le persone. Fai una breve presentazione. (Usa: socievole, molto, con i clienti)

(Je stelt een collega voor aan een klant in een videogesprek. Je wilt zeggen dat de collega makkelijk met mensen omgaat. Geef een korte introductie. (Gebruik: socievole, molto, con i clienti))

Lui è una persona  

(Hij is een ... persoon)

Voorbeeld:

Lui è una persona molto socievole con i clienti.

(Hij is een heel sociaal persoon met klanten.)

4. Parli con un’amica del tuo lavoro. Vuoi dire che il tuo capo è spesso nervoso. Descrivi il tuo capo con una frase semplice. (Usa: stressato, spesso, in ufficio)

(Je praat met een collega over je werk. Je wilt zeggen dat je baas vaak nerveus is. Beschrijf je baas met één eenvoudige zin. (Gebruik: stressato, spesso, in ufficio))

Il mio capo è  

(Mijn baas is ...)

Voorbeeld:

Il mio capo è spesso stressato in ufficio.

(Mijn baas is vaak gestrest op kantoor.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen om het karakter van drie collega’s of vrienden te beschrijven en geef aan wie het meest sympathiek is of wie het minst sociaal is.

Nuttige uitdrukkingen:

Secondo me è la persona più… / Mi sembra molto… / È un po’…, ma è anche… / Per me è il più / la più… del gruppo.

Esercizio 7: Gespreksoefening

Istruzione:

  1. Descrivi e confronta le persone. (Beschrijf en vergelijk de mensen.)
  2. Descrivi il tuo carattere. (Beschrijf je eigen karakter.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Juliette e Lukas sono una coppia affettuosa.

Juliette en Lukas zijn een liefdevol stel.

Raúl è la persona più chiusa. È introverso.

Raúl is de meest gesloten persoon. Hij is introvert.

Caitlin non è sportiva; è la persona meno attiva.

Caitlin is niet sportief; ze is de minst actieve persoon.

Paula e Giulia sono molto estroverse.

Paula en Giulia zijn erg extravert.

Charlotte è timida.

Charlotte is verlegen.

Peter è la persona più attiva.

Peter is de meest actieve persoon.

Posso essere timido se non conosco le persone.

Ik kan verlegen zijn als ik de mensen niet ken.

...