In deze les leer je belangrijke Italiaanse woorden en vragen over beroepen en studies, zoals 'lavoro' (werk), 'studiare' (studeren) en vraagwoorden als 'Quale?', 'Dove?' en 'Perché?'. Ontdek hoe je praat over jouw werk en studie, bijvoorbeeld: "Qual è il tuo lavoro?" of "Dove studi?".
Luister- en leesmateriaal
Oefen woordenschat in context met echte materialen.
Woordenschat (17) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Verdeel de volgende woorden in twee categorieën: banen die binnenshuis worden uitgevoerd en banen die praktische of handmatige activiteit vereisen.
Lavori in ufficio
Lavori pratici e manuali
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
L'ingegnere
De ingenieur
2
L'avvocato
De advocaat
3
Il manager
De manager
4
Lavorare
Werken
5
Il lavoro
Het werk
Esercizio 5: Gespreksoefening
Istruzione:
- Noem de beroepen van elke persoon. (Noem de beroepen van elke persoon.)
- Wat is uw beroep? (Wat is uw beroep?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Il giovane è uno studente. De jongeman is een student. |
La donna è un meccanico. De vrouw is monteur. |
Michael è un poliziotto. Michael is een politieagent. |
Giulia è una giornalista. Giulia is een journalist. |
Che lavoro fai? Wat doe je voor werk? |
Sono un insegnante. Ik ben een leraar. |
... |
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Io ___ in un ufficio vicino al centro.
(Ik ___ in een kantoor dicht bij het centrum.)2. Tu ___ l'italiano per migliorare la tua carriera.
(Jij ___ Italiaans om je carrière te verbeteren.)3. Quale lavoro ___ nella tua azienda?
(Welk werk ___ je in jouw bedrijf?)4. Noi ___ insieme da molti anni e ___ sempre nuove competenze.
(Wij ___ al vele jaren samen en ___ altijd nieuwe vaardigheden.)Oefening 8: Beroepen en opleidingen: een nieuwe collega ontmoeten
Instructie:
Werkwoordschema's
Lavorare - Werken
Presente
- io lavoro
- tu lavori
- lui/lei lavora
- noi lavoriamo
- voi lavorate
- loro lavorano
Studiare - Studeren
Presente
- io studio
- tu studi
- lui/lei studia
- noi studiamo
- voi studiate
- loro studiano
Chiedere - Vragen
Presente
- io chiedo
- tu chiedi
- lui/lei chiede
- noi chiediamo
- voi chiedete
- loro chiedono
Frequentare - Bezoeken
Presente
- io frequento
- tu frequenti
- lui/lei frequenta
- noi frequentiamo
- voi frequentate
- loro frequentano
Oefening 9: Gli interrogativi: "Quale?", "Dove?", "Perché?"
Instructie: Vul het juiste woord in.
Grammatica: De vraagwoorden: "Quale?", "Dove?", "Perché?"
Toon vertaling Toon antwoordenperché, Quale, Dove, Perché, Che cosa
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
A1.7.2 Grammatica
Gli interrogativi: "Quale?", "Dove?", "Perché?"
De vraagwoorden: "Quale?", "Dove?", "Perché?"
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Studiare studeren Delen Gekopieerd!
Presente
Italiaans | Nederlands |
---|---|
(io) studio | ik studeer |
(tu) studi | jij studeert |
(lui/lei) studia | hij/zij studeert |
(noi) studiamo | wij studeren |
(voi) studiate | jullie studeren |
(loro) studiano | zij studeren |
Lavorare werken Delen Gekopieerd!
Presente
Italiaans | Nederlands |
---|---|
(io) lavoro | ik werk |
(tu) lavori | jij werkt |
(lui/lei) lavora | hij/zij werkt |
(noi) lavoriamo | wij werken |
(voi) lavorate | jullie werken |
(loro) lavorano | zij werken |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Italiaans oefenen? Dat is mogelijk! Neem gewoon vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Professioni e studi – Lesoverzicht
In deze les leer je belangrijke Italiaanse woorden en uitdrukkingen die te maken hebben met beroepen en studies. Je oefent hoe je vragen stelt en beantwoordt over werk en studie, zoals "Qual è il tuo lavoro?" (Wat is je beroep?) en "Dove studi?" (Waar studeer je?). Deze basiszinnen helpen je om gesprekken te voeren over dagelijkse professionele en educatieve situaties.
Belangrijke vragen in het Italiaans
- Quale? – Welke/Wat voor
- Dove? – Waar
- Perché? – Waarom
Deze vraagwoorden komen veel voor bij het spreken over beroepen en studieomgevingen, en zijn essentieel om natuurlijke gesprekken te voeren.
Voorbeelden van veelgebruikte zinnen
- Qual è il tuo lavoro? Sono un ingegnere. – Wat is je beroep? Ik ben ingenieur.
- Dove studi? Studio all'università di Roma. – Waar studeer je? Ik studeer aan de universiteit van Rome.
- Perché lavori come cameriere? Mi piace conoscere nuove persone. – Waarom werk je als ober? Ik vind het leuk nieuwe mensen te ontmoeten.
- Che cosa fai nel tempo libero? Leggo libri e ascolto musica. – Wat doe je in je vrije tijd? Ik lees boeken en luister naar muziek.
Kernwerkwoorden in de tegenwoordige tijd
De les behandelt belangrijke werkwoorden die vaak gebruikt worden bij het praten over beroepsactiviteiten en studiekeuzes, zoals:
- Lavorare (werken): io lavoro, tu lavori, lui/lei lavora, noi lavoriamo, voi lavorate, loro lavorano
- Studiare (studeren): io studio, tu studi, lui/lei studia, noi studiamo, voi studiate, loro studiano
- Chiedere (vragen): io chiedo, tu chiedi, lui/lei chiede, noi chiediamo, voi chiedete, loro chiedono
- Frequentare (bezoeken, volgen): io frequento, tu frequenti, lui/lei frequenta, noi frequentiamo, voi frequentate, loro frequentano
Verschillen tussen het Nederlands en Italiaans
In het Italiaans worden beroepstitels bijna altijd als zelfstandige naamwoorden gebruikt zonder lidwoord als je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld "Sono ingegnere". In het Nederlands zeg je meestal "Ik ben een ingenieur". Daarnaast is het Italiaanse werkwoord "studiare" direct verbonden met het onderwerp van studie, terwijl in het Nederlands ook vaak vaste combinaties zoals "studeren aan de universiteit" worden gebruikt.
Handige Italiaanse woorden en uitdrukkingen die je kunt gebruiken:
- Il lavoro – het werk
- Lo studente / la studentessa – de student / studente
- L'università – de universiteit
- Part-time / full-time – deeltijd / voltijd
- Collega – collega
Praktische tips voor het leren van deze les
- Oefen de vraagzinnen hardop om vertrouwd te raken met de uitspraak.
- Probeer zelf korte dialogen te maken over je eigen beroep of studie.
- Let op de vervoegingen van werkwoorden in de tegenwoordige tijd; ze zijn cruciaal voor correcte communicatie.
Met deze les bouw je een solide basis om over werk en studie te praten in het Italiaans, wat erg nuttig is voor dagelijkse gesprekken en professionele ontmoetingen.