1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (25)

Uno

Uno Show

Één Show

Due

Due Show

Twee Show

Tre

Tre Show

Drie Show

Quattro

Quattro Show

Vier Show

Cinque

Cinque Show

Vijf Show

Sette

Sette Show

Zeven Show

Otto

Otto Show

Acht Show

Nove

Nove Show

Negen Show

Dieci

Dieci Show

Tien Show

Venti

Venti Show

Twintig Show

Trenta

Trenta Show

Dertig Show

Quaranta

Quaranta Show

Veertig Show

Cinquanta

Cinquanta Show

Vijftig Show

Sessanta

Sessanta Show

Zestig Show

Settanta

Settanta Show

Zeventig Show

Ottanta

Ottanta Show

Tachtig Show

Novanta

Novanta Show

Negentig Show

Cento

Cento Show

Honderd Show

Mille

Mille Show

Duizend Show

Contare

Contare Show

Tellen Show

Sommare

Sommare Show

Optellen Show

Sottrarre

Sottrarre Show

Aftrekken Show

Moltiplicare

Moltiplicare Show

Vermenigvuldigen Show

Dividere

Dividere Show

Delen Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Toon antwoorden
1.
bene così? | tre, quattro, | cinque, va | con lei: | Vorrei contare | uno, due,
Vorrei contare con lei: uno, due, tre, quattro, cinque, va bene così?
(Ik wil graag met u tellen: één, twee, drie, vier, vijf — is dat goed zo?)
2.
ho venti euro | trenta. | in totale sono | e dieci monete: | Nel mio portafoglio
Nel mio portafoglio ho venti euro e dieci monete: in totale sono trenta.
(In mijn portemonnee heb ik twintig euro en tien munten: dat is in totaal dertig.)
3.
dalle nove | alle diciassette. | settimana lavoro | In una | cinque giorni,
In una settimana lavoro cinque giorni, dalle nove alle diciassette.
(In een week werk ik vijf dagen, van negen uur tot zeventien uur.)
4.
siamo quindici studenti, | ma in tutta | circa duecento. | la scuola siamo | In questa classe
In questa classe siamo quindici studenti, ma in tutta la scuola siamo circa duecento.
(In deze klas zijn we vijftien studenten, maar op de hele school zijn we ongeveer tweehonderd.)
5.
uova, ma oggi | uso solo quattro | una dozzina di | uova per cucinare. | A casa abbiamo
A casa abbiamo una dozzina di uova, ma oggi uso solo quattro uova per cucinare.
(Thuis hebben we een dozijn eieren, maar vandaag gebruik ik maar vier eieren om te koken.)
6.
ci sono circa | difficile sommare e | dividere tutto. | Nel mio ufficio | mille documenti, è
Nel mio ufficio ci sono circa mille documenti, è difficile sommare e dividere tutto.
(Op mijn kantoor liggen ongeveer duizend documenten; het is moeilijk alles op te tellen en te verdelen.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. A lezione noi ___ i numeri da uno a cento.

(In de les wij ___ de getallen van één tot honderd.)

2. Scusi, può ripetere il numero? Non ___ bene oltre il novanta.

(Pardon, kunt u het nummer herhalen? Ik ___ niet goed boven de negentig.)

3. Ogni mattina il cassiere ___ i soldi della cassa.

(Elke ochtend ___ de kassier het geld uit de kassa.)

4. In ufficio voi ___ le chiamate ogni ora.

(Op kantoor ___ jullie de oproepen elk uur.)

Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Sei in un bar a Milano con due colleghi. Ordini il caffè e paghi alla cassa. Di’ quanto paghi in totale. (Usa: il conto, sommare, i prezzi)

(Je bent in een café in Milaan met twee collega’s. Je bestelt een koffie en betaalt aan de kassa. Zeg hoeveel je in totaal betaalt. (Gebruik: de rekening, optellen, de prijzen))

Devo sommare  

(Ik moet optellen ...)

Voorbeeld:

Devo sommare tre caffè e due brioche, il conto è dieci euro in totale.

(Ik moet drie koffies en twee croissantjes optellen; de rekening is in totaal tien euro.)

2. Sei in ufficio. Un collega nuovo ti chiede il tuo numero di telefono italiano. Dì il numero lentamente, a gruppi di due cifre. (Usa: contare, il numero di telefono, lentamente)

(Je bent op kantoor. Een nieuwe collega vraagt om je Italiaanse telefoonnummer. Zeg het nummer langzaam, in groepjes van twee cijfers. (Gebruik: tellen, het telefoonnummer, langzaam))

Posso contare  

(Ik kan het nummer langzaam zeggen ...)

Voorbeeld:

Posso contare il mio numero lentamente: è tre cinque, otto zero, uno due, nove zero.

(Ik kan mijn nummer langzaam zeggen: het is drie vijf, acht nul, één twee, negen nul.)

3. Sei al mercato. Vuoi comprare mele per la settimana. Chiedi al venditore di sottrarre due mele dal sacchetto perché sono troppe. (Usa: sottrarre, troppo, il sacchetto)

(Je bent op de markt. Je wilt appels kopen voor de week. Vraag de verkoper om twee appels uit het zakje te halen omdat het te veel is. (Gebruik: aftrekken, te veel, het zakje))

Può sottrarre  

(Kunt u twee ... aftrekken?)

Voorbeeld:

Può sottrarre due mele dal sacchetto, per favore? Sono troppe per me.

(Kunt u alstublieft twee appels uit het zakje halen? Het is te veel voor mij.)

4. Sei in una piccola azienda in Italia. Devi prenotare una sala riunioni per quattro persone e dire quante sedie servono in totale. (Usa: moltiplicare, le persone, le sedie)

(Je werkt bij een klein bedrijf in Italië. Je moet een vergaderruimte reserveren voor vier personen en zeggen hoeveel stoelen er in totaal nodig zijn. (Gebruik: vermenigvuldigen, de personen, de stoelen))

Devo moltiplicare  

(Ik moet vermenigvuldigen ...)

Voorbeeld:

Devo moltiplicare quattro persone per una sedia, così servono quattro sedie in totale.

(Ik moet vier personen vermenigvuldigen met één stoel, dus zijn er in totaal vier stoelen nodig.)

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over je laatste aankoop in de supermarkt of op de markt: wat je hebt gekocht, hoeveel geld je hebt uitgegeven en welke cijfers je je van het bonnetje herinnert.

Nuttige uitdrukkingen:

Vado al supermercato per comprare... / Spendo circa ... euro. / Il totale è... euro. / Di solito compro ... chili o ... pezzi.

Esercizio 6: Gespreksoefening

Istruzione:

  1. Leggi ad alta voce i problemi di calcolo e risolvili. (Lees de rekentaken hardop voor en los ze op.)
  2. Assegna un compito di calcolo agli altri. (Geef een rekentaak aan de anderen.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Dieci più due fa dodici.

Tien plus twee is twaalf.

Dieci meno due uguale otto.

Tien min twee is acht.

Dieci volte due fa venti.

Tien keer twee is twintig.

Dieci diviso due uguale cinque.

Tien gedeeld door twee is vijf.

Una dozzina è dodici.

Een dozijn is twaalf.

...