Gli aggettivi qualificativi descrivono qualità o caratteristiche del soggetto.

(Kwalificerende bijvoeglijke naamwoorden beschrijven kwaliteiten of kenmerken van het onderwerp.)

Adjectief = hetzelfde geslacht & aantal als het zelfstandig naamwoord

In het Italiaans “past” het bijvoeglijk naamwoord zich aan aan het woord dat je beschrijft.

  • Geslacht: mannelijk of vrouwelijk
  • Aantal: enkelvoud of meervoud
Zelfstandig naamwoord Adjectiefvorm Voorbeeld
mannelijk enkelvoud (il / un) vaak -o of -e un piatto buono / un ingrediente fresco / un esercizio facile
vrouwelijk enkelvoud (la / una) vaak -a of -e una torta buona / una spezia fresca / una ricetta facile
mannelijk meervoud (i) vaak -i i pomodori grandi / gli ingredienti freschi
vrouwelijk meervoud (le) vaak -e le cipolle fresche / le ricette piccole

Snelle “check in je hoofd”: 3 stappen

  1. Zoek het zelfstandig naamwoord: wat beschrijf je? (pomodoro, torta, esercizio…)
  2. Check lidwoord: il/un = mannelijk, la/una = vrouwelijk; i/le = meervoud.
  3. Kies de juiste uitgang van het adjectief.

De uitgangen die je hier nodig hebt (A1)

Type adjectief M enkelv. V enkelv. M meerv. V meerv.
-o (buono, piccolo, fresco) buono buona buoni buone
-e (grande, dolce, facile) grande grande grandi grandi

Let op: adjectieven op -e hebben in het enkelvoud maar één vorm (m/v), en in het meervoud ook één vorm: -i.

Normale woordvolgorde: naamwoord + adjectief

  • un pomodoro grande
  • una panna fresca
  • un esercizio facile

Dit is de veiligste keuze als je twijfelt.

Veelvoorkomende uitzondering: sommige adjectieven mogen ook vóór het naamwoord

Soms staat het adjectief vóór het zelfstandig naamwoord, vooral bij korte, heel gebruikelijke adjectieven (zoals buono).

  • na het naamwoord: un caffè buono (neutraal: “een koffie die goed is”)
  • vóór het naamwoord: un buon caffè (heel gebruikelijk: “een lekkere/goede koffie”)

Waarom is het “buon” en niet “buono” vóór het naamwoord?

Buono verliest vaak de -o als het direct vóór een mannelijk enkelvoud-woord staat.

Correct Niet doen Wanneer?
un buon caffè un buono caffè mannelijk enkelvoud + adjectief vóór het naamwoord
una buona torta una buon torta vrouwelijk enkelvoud
dei buoni pomodori dei buon pomodori meervoud

Zelfcontrole: dit zijn de typische valkuilen

  • Verkeerd geslacht: una spezia fresco → una spezia fresca
  • Meervoud vergeten: i pomodori grande → i pomodori grandi
  • -e-adjectieven: la ricetta facile (niet *facila*)
  • buon alleen in een specifieke positie: un buon caffè, maar un caffè buono

Wat moet je nu kunnen?

  • In één zin het lidwoord herkennen en daaruit geslacht + aantal halen.
  • De juiste adjectiefuitgang kiezen: -o/-a/-i/-e of -e/-i.
  • Meestal: naamwoord + adjectief; soms: adjectief ervoor (bv. un buon caffè).
  1. Het bijvoeglijk naamwoord komt overeen met het onderwerp in geslacht en getal.
  2. De normale plaats van het bijvoeglijk naamwoord is na het zelfstandig naamwoord.
Aggettivo (Bijvoeglijk naamwoord)Maschile (Mannelijk)Femminile (Vrouwelijk)
BuonoUn piatto buono (Een goed gerecht)Una torta buona (Een goede taart)
GrandeUn pomodoro grande (Een grote tomaat)Una cipolla grande (Een grote ui)
PiccoloUn pezzo piccolo (Een klein stuk)Una panna piccola (Een kleine room)
DolceUn burro dolce (Een ongezouten boter)Una crema dolce (Een zoete crème)
FacileUn esercizio facile (Een makkelijke oefening)Una ricetta facile (Een makkelijk recept)
FrescoUn ingrediente fresco (Een vers ingrediënt)Una spezia fresca (Een verse specerij)

Uitzonderingen!

  1. Sommige veelvoorkomende bijvoeglijke naamwoorden kunnen ook vóór het onderwerp staan: 'il buon caffè'.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Per questa ricetta uso un burro ___ e una panna fresca.

Per questa ricetta uso un burro ___ e una panna fresca.)

2. Metto una cipolla ___ e due spicchi di aglio piccolo nella padella.

Metto una cipolla ___ e due spicchi di aglio piccolo nella padella.)

3. È una ricetta ___ e un piatto dolce, fatto in casa.

È una ricetta ___ e un piatto dolce, fatto in casa.)

4. Oggi preparo un buon caffè e un dolce ___ ma molto buono.

Oggi preparo un buon caffè e un dolce ___ ma molto buono.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen door het bijvoeglijk naamwoord tussen haakjes in de juiste vorm (mannelijk/vrouwelijk en enkelvoud/meervoud) in te vullen.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Il piatto è molto. (buono)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Il piatto è molto buono.
    (Il piatto è molto buono.)
  2. La torta è. (dolce)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    La torta è dolce.
    (La torta è dolce.)
  3. I pomodori sono. (grande)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    I pomodori sono grandi.
    (I pomodori sono grandi.)
  4. Le cipolle sono. (fresco)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Le cipolle sono fresche.
    (Le cipolle sono fresche.)
  5. L'esercizio di cucina è. (facile)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    L'esercizio di cucina è facile.
    (L'esercizio di cucina è facile.)
  6. Le ricette sono. (piccolo)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Le ricette sono piccole.
    (Le ricette sono piccole.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Bedenk samen een menu en kies een recept, zoet of hartig.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Con un collega italiano organizzate una cena fatta in casa e decidete il menù.
(Je organiseert met een Italiaanse collega een zelfgemaakte maaltijd en jullie bepalen het menu.)

Bespreek
  • Quale ricetta facile proponi per la cena? Descrivila con gli ingredienti. (Welk eenvoudig recept stel je voor voor het diner? Beschrijf het met de ingrediënten.)
  • Gli ingredienti sono freschi e buoni? Spiega perché li scegli così. (Zijn de ingrediënten vers en van goede kwaliteit? Leg uit waarom je ze zo kiest.)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • una ricetta facile e buona (een eenvoudig en lekker recept)
  • ingredienti freschi: la cipolla, l’aglio, il burro (verse ingrediënten: de ui, de knoflook, de boter)
  • la panna, lo zucchero, il sale (de room, de suiker, het zout)

Gebruik in gesprek
  • un/una + nome + aggettivo dopo il nome (un/una + zelfstandig naamwoord + bijvoeglijk naamwoord ná het zelfstandig naamwoord)
  • il/il buon + nome (aggettivo prima del nome) (il/il buon + zelfstandig naamwoord (bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 06/03/2026 13:25