Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Toon antwoordenOefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 3: Luister en beantwoord de vragen
Instructie: Luister naar de audio en beantwoord de vragen.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Quante persone ci sono nella famiglia di Marco?
Che cosa dice Laura dei suoi genitori?
Oefening 4: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Io ___ molto la mia famiglia italiana.
(Ik ___ heel veel van mijn Italiaanse familie.)2. Mia madre ___ a Roma e mio padre ___ a Milano.
(Mijn moeder ___ in Rome en mijn vader ___ in Milaan.)3. Noi ___ passare il weekend con i nostri nonni.
(Wij ___ ervan om het weekend door te brengen met onze grootouders.)Oefening 5: Gesprekskaarten
Instructie: Oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
Oefening 6: Reageer op de situatie (QR: AI+)
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
Je correcties ophalen... Sluit deze pagina nog niet.
1. Sei a un aperitivo di lavoro. Un collega italiano nuovo ti chiede: «Hai una famiglia?». Rispondi e dì qualcosa sulla tua famiglia. (Usa: la famiglia, piccolo/grande, Io ho)
(Je bent bij een afterworkborrel. Een nieuwe Italiaanse collega vraagt je: «Heb je een familie?». Antwoord en zeg iets over je familie. (Gebruik: de familie, klein/groot, Ik heb))La mia famiglia è
(Mijn familie is ...)Voorbeeld:
La mia famiglia è piccola. Io ho una moglie e un figlio.
(Mijn familie is klein. Ik heb een vrouw en een zoon.)2. Conosci una nuova vicina di casa. Lei parla dei suoi bambini e ti chiede: «Tu hai dei figli?». Rispondi in modo semplice. (Usa: il figlio / la figlia, Io ho, Non ho)
(Je maakt kennis met een nieuwe buurvrouw. Ze praat over haar kinderen en vraagt je: «Heb jij kinderen?». Antwoord op een eenvoudige manier. (Gebruik: de zoon / de dochter, Ik heb, Ik heb niet))Io ho
(Ik heb ...)Voorbeeld:
Io ho una figlia. Lei ha quattro anni.
(Ik heb een dochter. Ze is vier jaar oud.)