Stel jezelf voor en vertel over je familie.
Vraag iemand naar zijn of haar familie. (grootte, structuur, ... )
Woordenschat
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig hebt.
Activiteit: Hoe gaat het met je familie?
Een oom praat met zijn nichtje dat hij lange tijd niet heeft gezien; ze praten over de familie.
Grammatica: Bezittelijke bijvoeglijke naamwoorden
Het zijn bijvoeglijke naamwoorden die aangeven van wie iets is.
Oefeningen
Pas in de praktijk toe wat je hebt geleerd.
In het klaslokaal
Spreken
Oefen spreken met je docent!