Gli articoli indicano genere e numero.

(Lidwoorden geven geslacht en getal aan.)

Wat is het verschil tussen bepaald en onbepaald?

  • Bepaald lidwoord = je bedoelt een specifieke persoon/zaak: de/het → Italiaans: il, lo, la, l’ (mv. i, gli, le).
  • Onbepaald lidwoord = het is “één, een” (nieuw/niet specifiek): een → Italiaans: un, uno, una, un’ (mv. vaak als “enkele”: dei, degli, delle).

Tip: In het Italiaans moet het lidwoord ook passen bij geslacht (m/v) én klank aan het begin van het woord.

Stap 1: bepaal het geslacht en het getal (enkelvoud/meervoud)

  • -o is vaak mannelijk: ragazzoil/un ragazzo
  • -a is vaak vrouwelijk: città (vrouwelijk) → la/una città
  • -e kan mán of vráuw zijn: studente (m) / lezione (v) → leer per woord

Let op: città eindigt op -à en blijft hetzelfde in het meervoud: la città / le città.

Stap 2: kies de juiste vorm voor het begin van het woord

Begin van het woord Mannelijk Vrouwelijk
meeste medeklinkers
r, t, m, n, b…

il / un
il treno, un ragazzo

la / una
la città, una città

s + medeklinker, z, gn, ps
st-, sp-, sc-, z-, gn-, ps-

lo / uno
lo studente, uno zio

meestal gewoon la / una
la studentessa

klinker
a, e, i, o, u

l’ / un
l’amico, un amico

l’ / un’
l’amica, un’amica

Meervoud: hetzelfde principe, andere vormen

  • il → i (m, meervoud): il ragazzoi ragazzi
  • lo / l’ → gli (m, meervoud): lo studentegli studenti; l’amicogli amici
  • la / l’ → le (v, meervoud): la cittàle città; l’amicale amiche

Voor onbepaald meervoud gebruik je vaak:

  • dei (zoals i): dei ragazzi
  • degli (zoals gli): degli studenti
  • delle (zoals le): delle città

Snelle zelfcheck (30 seconden)

  1. Is het enkelvoud of meervoud?
  2. Is het woord mannelijk of vrouwelijk? (zo nodig opzoeken/leren)
  3. Begint het met klinker of met s+medeklinker / z / gn / ps?
  4. Kies het lidwoord en lees het hardop: klinkt het vloeiend?

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • Bij “studente”: dit is een typische lo/uno-situatie.
    il studentelo studente
    un studenteuno studente
  • Bij woorden met klinker: gebruik l’ (bepaald) en bij vrouwelijk enkelvoud un’ (onbepaald).
    l’amica (de vriendin) / un’amica (een vriendin)
  • “un” is niet altijd genoeg: bij z en s+medeklinker is het vaak uno.
    uno zio, uno studente

Mini-overzicht om te onthouden

  • il / la = “normale” start met medeklinker
  • lo / uno = “speciale” start: s+medeklinker, z, gn, ps
  • l’ = begint met klinker (m/v, enkelvoud, bepaald)
  • un’ = vrouwelijk enkelvoud + klinker (onbepaald)
  • i / gli / le = meervoud bepaald; dei / degli / delle = meervoud onbepaald
  1. Il, la gebruik je voor woorden die met een medeklinker beginnen.
  2. Lo, uno en gli gebruik je voor woorden die beginnen met s + medeklinker, z, gn, ps.
  3. In het meervoud kies je i, gli, le (bepaalde lidwoorden) of dei, degli, delle (onbepaalde lidwoorden) volgens dezelfde regel als in het enkelvoud.
Articoli determinativi (Bepaalde lidwoorden)Maschile (Mannelijk)Femminile (Vrouwelijk)
Singolare (Enkelvoud)Il
(Il ragazzo)
Lo
(Lo studente)
La 
(La città)
Plurale (Meervoud)I
(I ragazzi)
Gli
(Gli studenti)
Le
(Le città
Articoli indeterminativi (Onbepaalde lidwoorden) 
Singolare (Enkelvoud)Un, Uno
(Un ragazzo)
(Uno studente)
Una
(Una città
Plurale 

Dei

(Dei ragazzi) (Enkele jongens)

Degli

(Degli studenti) (Enkele studenten)

Delle

(Delle città) (Enkele steden)

Uitzonderingen!

  1. L’ gebruik je voor woorden die met een klinker beginnen: L'amico / L'amica.
  2. Un' gebruik je voor vrouwelijke zelfstandige naamwoorden die met een klinker beginnen: un' amica.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Di solito prendo ___ treno per andare in ufficio a Roma.

Di solito prendo ___ treno per andare in ufficio a Roma.)

2. Lavoro in ___ città molto internazionale, vicino alla Svizzera.

Lavoro in ___ città molto internazionale, vicino alla Svizzera.)

3. A Milano ho ___ amico portoghese e un'amica tedesca.

A Milano ho ___ amico portoghese e un'amica tedesca.)

4. ___ olandesi del mio corso di italiano vivono a Bologna.

___ olandesi del mio corso di italiano vivono a Bologna.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste lidwoord (bepaald of onbepaald: il, lo, la, l’, i, gli, le, un, uno, una, un’). Voorbeeld: Ho computer. → Ho un computer.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (un) È ragazzo italiano.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    È un ragazzo italiano.
    (È un ragazzo italiano.)
  2. Hint Hint (il) Ragazzo è in ufficio.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Il ragazzo è in ufficio.
    (Il ragazzo è in ufficio.)
  3. Hint Hint (una) In classe c’è studentessa nuova.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    In classe c’è una studentessa nuova.
    (In classe c’è una studentessa nuova.)
  4. Hint Hint (l’) Studio in università di Milano.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Studio all’università di Milano.
    (Studio all’università di Milano.)
  5. Hint Hint (l’) Oggi insegnante è assente.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Oggi l’insegnante è assente.
    (Oggi l’insegnante è assente.)
  6. Hint Hint (un’ / uno) Parlo con amica spagnola e con zio italiano.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Parlo con un’amica spagnola e con uno zio italiano.
    (Parlo con un’amica spagnola e con uno zio italiano.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Werk in tweetallen, stel jezelf voor en wissel informatie uit over landen en steden.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Sei al primo giorno di un corso di lingua a Milano e parli con i compagni.
(Je bent op de eerste dag van een taalcursus in Milaan en praat met klasgenoten.)

Bespreek
  • Di dove sei? Da quale città e da quale paese vieni? (Waar kom je vandaan? Uit welke stad en welk land kom je?)
  • Dove vivi ora? Vivi in una città grande o piccola? Perché?Qual è la capitale del tuo paese? Ti piace la capitale? Perché?Conosci un abitante famoso del tuo paese o della tua città? (Waar woon je nu? Woon je in een grote of in een kleine stad? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Da dove vieni? / Di dove sei? (Da dove vieni? / Di dove sei?)
  • Vengo da una città in Italia / in Spagna / in Germania (Vengo da una città in Italia / in Spagna / in Germania)
  • Vivo in una capitale. La mia nazionalità è italiana / spagnola / tedesca (Vivo in una capitale. La mia nazionalità è italiana / spagnola / tedesca)

Gebruik in gesprek
  • articoli determinativi con paese e città (bepaalde lidwoorden bij landen en steden)
  • articoli indeterminativi (un, una, uno, un') (onbepaalde lidwoorden (un, una, uno, un'))
  • accordo articolo-sostantivo in genere e numero (overeenkomst tussen lidwoord en zelfstandig naamwoord in geslacht en getal)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 06/03/2026 06:42