Usa 'c'è' e 'ci sono' per indicare che oggetti o persone sono in un determinato luogo, o che degli eventi stanno accadendo o devono accadere.

(Gebruik 'c'è' en 'ci sono' om aan te geven dat voorwerpen of mensen zich op een bepaalde plaats bevinden, of dat er gebeurtenissen plaatsvinden of zullen plaatsvinden.)

1. Wat betekenen c’è en ci sono precies?

  • c’è = er is (één ding / één persoon)
  • ci sono = er zijn (meerdere dingen / personen)

Je gebruikt ze om te zeggen dat iets aanwezig is, ergens staat / ligt / hangt.

  • C’è un balcone. → Er is een balkon.
  • Ci sono due balconi. → Er zijn twee balkons.

2. De kernregel in één oogopslag

  • Kijk altijd naar het zelfstandig naamwoord erna.
  • Is dat woord enkelvoud? → gebruik c’è.
  • Is dat woord meervoud? → gebruik ci sono.
Vorm Wanneer? Voorbeeld (IT) Betekenis (NL)
c’è als erna een enkelvoud komt C’è un bagno. Er is een badkamer.
ci sono als erna een meervoud komt Ci sono due bagni. Er zijn twee badkamers.

3. Let op: alleen het aantal telt, niet het geslacht

In het Italiaans maakt het niet uit of het woord mannelijk of vrouwelijk is.

  • Enkelvoud (mannelijk of vrouwelijk) → c’è
  • Meervoud (mannelijk of vrouwelijk) → ci sono
Mannelijk Vrouwelijk
Enkelvoud C’è un balcone. C’è una finestra.
Meervoud Ci sono due balconi. Ci sono due finestre.

4. Typische volgorde in de zin

In dit hoofdstuk zie je vooral zinnen over ruimtes en plaatsen.

  • In / Nel / Nella … + c’è / ci sono + wat er is
In cucina c’è un tavolo. In de keuken is er een tafel.
Nel corridoio ci sono tre porte. In de gang zijn er drie deuren.
Nella camera da letto c’è una lampada. In de slaapkamer is er een lamp.

Onthoud het patroon als “plaats → c’è / ci sono → ding(en)”.

5. Hoe spreek en schrijf je c’è en ci sono correct?

  • c’è = samentrekking van ci è.
  • Er staat altijd een apostrof en een accent op de è.

Let op veelgemaakte schrijffouten:

  • cec’è
  • c ec’è
  • c’è

ci sono is eenvoudig:

  • altijd twee woorden: ci + sono
  • geen apostrof, geen accent
  • ce sono is fout.

6. Vergelijking met het Nederlands (handig controlemiddel)

Als je twijfelt, vertaal even in je hoofd naar het Nederlands.

  • Denk: “er is …” → gebruik c’è.
  • Denk: “er zijn …” → gebruik ci sono.
C’è un supermercato qui vicino. Er is een supermarkt hier vlakbij.
Ci sono molti ristoranti in questa zona. Er zijn veel restaurants in deze buurt.

7. Let op het eerste woord na c’è / ci sono

Je kiest de vorm op basis van het eerste zelfstandige naamwoord dat volgt.

  • Als dat enkelvoud is → c’è, ook als er daarna nog een meervoud komt.
  • Als dat meervoud is → ci sono.
C’è un tavolo e due sedie. un tavolo = enkelvoud → c’è
Ci sono due sedie e un tavolo. due sedie = meervoud → ci sono

8. Veelgemaakte fouten (en hoe je ze vermijdt)

  • Fout 1: meervoud gebruiken na c’è
    • C’è tre camereCi sono tre camere.
  • Fout 2: enkelvoud gebruiken na ci sono
    • Ci sono un bagnoC’è un bagno.
  • Fout 3: denken aan “hebben”
    • La casa ha un balcone is grammaticaal mogelijk, maar in dit niveau en in deze context is C’è un balcone veel gebruikelijker.

Tip: kijk steeds bewust naar un / una / uno (meestal enkelvoud) en naar woorden als due, tre, molti, tante (altijd meervoud).

9. Stap-voor-stap: zo kies je altijd goed

  1. Zoek het ding waar je over praat.
    • bijvoorbeeld: una finestra, due bagni, molti studenti
  2. Bepaal: enkelvoud of meervoud?
    • één → enkelvoud
    • twee of meer / molti / tante → meervoud
  3. Kies de vorm
    • enkelvoud → c’è
    • meervoud → ci sono
  4. Bouw de zin
    • (Plaats) + c’è / ci sono + (ding(en))

Voorbeeld: “In de slaapkamer zijn er twee ramen.”

  • ding: due finestre → meervoud
  • vorm: ci sono
  • zin: In camera da letto ci sono due finestre.

10. Korte zelfcheck: begrijp je het?

Beantwoord voor jezelf (zonder te spieken):

  1. Hoe zeg je: “Er is een balkon.”
    • C’è un balcone.
  2. Hoe zeg je: “Er zijn drie badkamers.”
    • Ci sono tre bagni.
  3. Vul in: “In cucina ___ un frigorifero.”
    • antwoord: c’è (un frigorifero = enkelvoud)
  4. Vul in: “Nel corridoio ___ quattro porte.”
    • antwoord: ci sono (quattro porte = meervoud)

Kun je deze vragen vlot beantwoorden? Dan ben je klaar om c’è en ci sono actief te gebruiken in gesprekken.

  1. Gebruik 'c'è' voor het enkelvoud.
  2. Gebruik 'ci sono' voor het meervoud.
Numero (Getal)Genere (Geslacht)Esempio (Voorbeeld)
C'èMaschile (Mannelijk)C'è un bagno in casa.
Femminile (Vrouwelijk)C'è una finestra.
Ci sonoMaschile (Mannelijk)Ci sono due bagni in casa.
Femminile (Vrouwelijk)Ci sono due finestre.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. In questo appartamento ___ un grande salotto con un balcone.

In dit appartement ___ een grote woonkamer met een balkon.)

2. In cucina ___ due finestre e un tavolo grande.

In de keuken ___ twee ramen en een grote tafel.)

3. Nella tua casa nuova ___ un garage?

In jouw nieuwe huis ___ een garage?)

4. Nel corridoio ___ tre porte: la cucina, il bagno e la camera da letto.

In de gang ___ drie deuren: de keuken, de badkamer en de slaapkamer.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het correcte gebruik van 'er is' (enkelvoud) of 'er zijn' (meervoud).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (c'è / ci sono) Un balcone nella casa.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    C'è un balcone in casa.
    (C'è un balcone in casa.)
  2. Hint Hint (c'è / ci sono) Tre camere da letto nell'appartamento.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ci sono tre camere da letto nell'appartamento.
    (Ci sono drie slaapkamers in het appartement.)
  3. Hint Hint (c'è / ci sono) Una fermata dell'autobus davanti al palazzo.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    C'è una fermata dell'autobus davanti al palazzo.
    (C'è een bushalte voor het gebouw.)
  4. Hint Hint (c'è / ci sono) Due bagni nel nuovo ufficio.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ci sono due bagni nel nuovo ufficio.
    (Ci sono twee badkamers in het nieuwe kantoor.)
  5. Hint Hint (c'è / ci sono) Un supermercato vicino a casa mia.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    C'è un supermercato vicino a casa mia.
    (C'è een supermarkt vlak bij mijn huis.)
  6. Hint Hint (c'è / ci sono) Molti studenti in classe oggi.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ci sono molti studenti in classe oggi.
    (Er zijn vandaag veel studenten in de klas.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Om de beurt beschrijft u elke kamer met korte zinnen waarbij u gebruikmaakt van 'er is'/'er zijn'.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
State mostrando il vostro appartamento italiano a un nuovo coinquilino straniero.
(Jullie laten jullie Italiaanse appartement zien aan een nieuwe buitenlandse huisgenoot.)

Bespreek
  • Com'è la tua casa adesso? Quali stanze ci sono? (Hoe ziet jouw huis er nu uit? Welke kamers zijn er?)
  • C'è qualcosa da pulire in cucina o in bagno oggi? (Moet er vandaag iets gepoetst worden in de keuken of de badkamer?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • In cucina c'è un tavolo. (In cucina c'è un tavolo.)
  • In salotto ci sono due sedie. (In salotto ci sono due sedie.)
  • Nel bagno c'è una finestra. (Nel bagno c'è una finestra.)

Gebruik in gesprek
  • c'è (c'è)
  • ci sono (ci sono)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 17:55