Le espressioni di luogo in italiano sono verbi che si usano con le preposizioni: andare a, andare verso, ...

(Plaatsuitdrukkingen in het Italiaans zijn werkwoorden die je gebruikt met voorzetsels: andare a, andare verso, ...)

Kernidee: welke richting bedoel je?

Kies de voorzetsels vooral op basis van wat je uitdrukt:

  • bestemming (waar ga je heen?) → a / in
  • richting (niet per se aankomen) → verso
  • herkomst (waar kom je vandaan?) → da
  • doel/route (waarvoor? via waar?) → per

Andare + in: vervoer & “binnen/in” plaatsen

  • Gebruik in bij vervoermiddelen:
  • Vado in macchina. (met de auto)
  • Vado in treno. (met de trein)
  • Vado in autobus. (met de bus)
  • Gebruik in ook vaak bij een plek die je als “binnen/overdekt/gebied” voelt (zoals in de voorbeelden):
  • Andiamo in stazione.
  • Prendo il bus in città.

Let op: dit is niet altijd 1-op-1 hetzelfde als “in” in het Nederlands; leer het als vaste combinatie.

Andare + a: stad, concreet punt, activiteit

  • Gebruik a voor steden:
  • Vado a Roma.
  • Andiamo a Milano.
  • Gebruik a ook voor een concrete bestemming/afspraak (zoals een activiteit):
  • Andiamo a cena.
  • En voor te voet (dit is de belangrijke uitzondering):
  • Vado a piedi. Vado in piedi.

Andare + verso: “richting” (focus op de route)

Gebruik verso als je vooral bedoelt: in de richting van.

  • Andiamo verso la stazione. (we gaan richting station)
  • Va verso la piazza. (hij/zij gaat richting het plein)

Tip: als je in het Nederlands “richting” zou zeggen, is verso vaak de beste keuze.

Venire / herkomst: da = “uit/van”

Bij herkomst hoort bijna altijd da:

  • Vengo da Torino.
  • Vengo da Milano.

Zelfcheck: kan je “waar kom je vandaan?” vragen? → da.

Per: bestemming op een ticket, doel, of “via”

  • Per = voor/bestemd voor (heel typisch bij tickets):
  • Questo biglietto è per Roma.
  • Per = om te / doel:
  • Vado in stazione per prendere il treno. (om de trein te nemen)
  • Per = via (route):
  • Passo per il parco. (ik ga via het park)

Snelle keuzehulp (in 10 seconden)

Vraag die je jezelf stelt Italiaans Voorbeeld
Hoe ga je? (vervoer) in Vado in treno.
Waarheen? (stad / afspraak) a Andiamo a Roma. / Andiamo a cena.
Waarheen? (richting, niet “aankomen”) verso Andiamo verso la stazione.
Waarvandaan? da Vengo da Torino.
Waarvoor / via waar? per Per prendere il treno. / Passo per il parco.
Te voet a Vado a piedi.

Veelgemaakte fouten (en hoe je ze voorkomt)

  • Te voet: a piedi, niet in piedi.
  • Verso is geen “naar” voor een vaste bestemming; het is richting.
    • Bestemming: Vado a Roma.
    • Richting (onderweg): Vado verso Roma.
  • Per bij tickets: biglietto per Roma (bestemd voor), niet biglietto a Roma.
  • Da gaat over startpunt/herkomst: Vengo da Milano, niet Vengo a Milano.

Mini-checklist voor je eigen zinnen

  1. Kies eerst het werkwoord: andare (gaan) of venire (komen).
  2. Vraag jezelf: bestemming, richting, herkomst, doel of route?
  3. Kies dan pas het voorzetsel: a / in / verso / da / per.
Preposizione (Voorzetsel)Esempio (Voorbeeld)
Andare + in

Vado in macchina (Ik ga met de auto)

Andiamo in stazione (We gaan naar het station)

Andare + a

Vai a Roma (Je gaat naar Rome)

Andiamo a cena (We gaan eten)

Andare + verso

Andiamo verso la stazione (We gaan richting het station)

Va verso la piazza (Hij/zij gaat richting het plein)

DaVengo da Torino (Ik kom uit Turijn)
Per

Questo biglietto è per Roma (Dit ticket is naar Rome)

Passo per il parco (Ik ga door het park)

Uitzonderingen!

  1. Con i mezzi di trasporto usiamo "in", però diciamo "andare a piedi". (Bij vervoermiddelen gebruiken we "in", maar we zeggen "andare a piedi".)

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ogni mattina vado in ufficio ___ treno, ma dall'uscita della stazione vado a piedi.

Elke ochtend ga ik naar kantoor ___ trein, maar vanaf de uitgang van het station loop ik naar kantoor.)

2. Stasera andiamo ___ Milano in macchina per la riunione di domani.

Vanavond rijden we ___ Milaan met de auto voor de vergadering van morgen.)

3. Questo biglietto è ___ Roma e il treno parte dalla stazione centrale.

Dit kaartje is ___ Rome en de trein vertrekt van het centraal station.)

4. Vengo ___ Torino, ma adesso lavoro a Bologna e vado in ufficio in autobus.

Ik kom ___ Turijn, maar ik werk nu in Bologna en ik ga met de bus naar kantoor.)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste voorzetsel bij de werkwoorden andare, venire of passare (in, a, verso, da, per).

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Domani andiamo Roma in treno.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Domani andiamo a Roma in treno.
    (Domani andiamo a Roma in treno.)
  2. Ogni mattina vado il lavoro metropolitana.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ogni mattina vado al lavoro in metropolitana.
    (Ogni mattina vado al lavoro in metropolitana.)
  3. Hint Hint (verso) Il turista va Firenze la macchina.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Il turista va verso Firenze in macchina.
    (Il turista va verso Firenze in macchina.)
  4. Hint Hint (per) Io passo il parco andare l’ufficio.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Io passo per il parco per andare in ufficio.
    (Io passo per il parco per andare in ufficio.)
  5. Hint Hint (da) Maria viene Milano.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Maria viene da Milano.
    (Maria viene da Milano.)
  6. Hint Hint (da) Stasera andiamo Luca per una birra.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Stasera andiamo da Luca per una birra.
    (Stasera andiamo da Luca per una birra.)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Beschrijf jullie dagelijkse route en stel elkaar vragen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Un collega nuovo ti chiede come vai al lavoro ogni giorno.
(Een nieuwe collega vraagt je elke dag hoe je naar je werk gaat.)

Bespreek
  • Da dove vieni la mattina e dove vai a lavorare? (Waar kom je ’s ochtends vandaan en waar ga je naartoe om te werken?)
  • Come vai al lavoro: in macchina, in treno, in autobus o a piedi? Perché? (Hoe ga je naar je werk: met de auto, met de trein, met de bus of te voet? Waarom?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Vado in macchina / in autobus / in treno / in taxi. (Ik ga met de auto / met de bus / met de trein / met een taxi.)
  • Vado a lavoro a Milano e torno a casa a piedi. (Ik ga naar mijn werk in Milaan en loop daarna naar huis.)
  • Vengo da casa e passo per la stazione. (Ik kom van huis en ga langs het station.)

Gebruik in gesprek
  • andare in (mezzo/luogo chiuso) (gaan in (vervoermiddel / overdekte plaats))
  • andare a (città/luogo preciso/casa) (gaan naar (stad / specifieke plaats / huis))
  • venire da / passare per (luogo) (komen uit / langsgaan via (plaats))

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 06/03/2026 20:42