B1.26 - Superare un esame
B1.26 - Superare un esame

B1.26 - Superare un esame - Vocabolario

Een examen halen


Vocabolario (24)

De beoordeling Mostra

La valutazione Mostra

De insufficiente Mostra

L'insufficienza Mostra

De toets Mostra

La prova Mostra

De resultaten Mostra

I risultati Mostra

De herkansing Mostra

La ripetizione (dell'esame) Mostra

De voorbereiding Mostra

La preparazione Mostra

De studieplanning Mostra

Il piano di studio Mostra

De onvoldoende Mostra

L'insufficienza Mostra

Behalen (een diploma) Mostra

Ottenere (un diploma) Mostra

Slagen voor Mostra

Superare (un esame) Mostra

Slagen in Mostra

Riuscire in Mostra

Behalen (een diploma) Mostra

Conseguire (un diploma) Mostra

Opzien tegen Mostra

Temere Mostra

Worstelen met Mostra

Lottare con Mostra

Zich concentreren op Mostra

Concentrarsi su Mostra

Doorgaan met Mostra

Continuare con Mostra

In staat zijn om/tot Mostra

Essere in grado di Mostra

Focussen op Mostra

Focalizzarsi su Mostra

Raden naar Mostra

Indovinare Mostra

Delen door Mostra

Dividere per Mostra

Beginnen aan Mostra

Iniziare (a) Mostra

Zich storten op Mostra

Buttarsi su Mostra

Volharden in Mostra

Perseverare in Mostra

Zich voorbereiden op Mostra

Prepararsi per Mostra

Hebben (avere)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou gehad hebben
(jij/je) zou gehad hebben
(hij/zij/ze/het) zou gehad hebben
(wij/we) zouden gehad hebben
(jullie) zouden gehad hebben
(zij/ze) zouden gehad hebben

Behalen (raggiungere)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou behaald hebben
(jij/je) zou behaald hebben
(hij/zij/ze/het) zou behaald hebben
(wij/we) zouden behaald hebben
(jullie) zouden behaald hebben
(zij/ze) zouden behaald hebben

Focussen op (fare attenzione)

Conditionele Verleden Tijd (CVT)


(ik) zou gefocust hebben op
(jij/je) zou gefocust hebben op
(hij/zij/ze/het) zou gefocust hebben op
(wij/we) zouden gefocust hebben op
(jullie) zouden gefocust hebben op
(zij/ze) zouden gefocust hebben op